ECLI:NL:GHARL:2024:5904

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 september 2024
Publicatiedatum
18 september 2024
Zaaknummer
Wahv 200.336.574/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdig herstel verzuim gronden beroepschrift

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursstrafrechtelijke sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het beroepschrift bevatte aanvankelijk geen gronden, waarna de betrokkene werd verzocht deze alsnog binnen een termijn in te dienen.

Hoewel de betrokkene een brief met gronden op 15 september 2022 heeft verzonden, werd deze pas op 22 september 2022 ontvangen, vijf werkdagen na de gestelde termijn. De brief ontbrak een poststempel en de door de betrokkene opgegeven verzenddatum en stelling dat de brief tijdig was gepost, werden niet als voldoende bewijs geaccepteerd.

De officier van justitie verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk, hetgeen door de kantonrechter en het hof werd bevestigd. Hierdoor kon het beroep niet inhoudelijk worden beoordeeld en werd de sanctie van € 400,- gehandhaafd.

Het hof benadrukte dat het risico van niet tijdige ontvangst van stukken per gewone post voor rekening van de betrokkene komt, en dat het verzuim niet tijdig was hersteld. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden, waardoor het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.336.574/01
CJIB-nummer
: 247892648
Uitspraak d.d.
: 18 september 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 22 november 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hof merkt allereerst op dat het hof de door de rechtbank Overijssel doorgestuurde e-mail van de betrokkene van 10 januari 2024 niet aanmerkt als het hoger beroepschrift. De betrokkene heeft beroep ingesteld bij e-mail van 17 januari 2024. Het hof zal de hierin aangevoerde gronden beoordelen.
2. De officier van justitie heeft het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene in het beroepschrift niet heeft uitgelegd waarom hij het niet eens is met de beschikking waarbij aan hem een sanctie is opgelegd en de officier van justitie geen (tijdige) reactie heeft gekregen op het verzoek alsnog de gronden toe te sturen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. De betrokkene voert aan dat geen sprake is van een eerlijk proces. Hij vindt het erg dat hij in hoger beroep moet terwijl het zo simpel is: de betrokkene is niet staandegehouden, terwijl daar wel alle gelegenheid voor is geweest. De betrokkene heeft met het digitaal indienen van het beroepschrift deze grond ook ingediend. Op 15 september 2022, voor 17.00 uur, is de brief met aanvullende gronden op de post gedaan. De betrokkene was daarmee laat met zijn reactie, maar niet te laat.
4. In artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. In artikel 6:6 van Pro de Awb is bepaald dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Als een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Dat betekent dat niet wordt gekeken naar wat wordt aangevoerd tegen de sanctie.
5. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene op 27 maart 2022 via het Digitaal Loket Verkeer administratief beroep heeft ingesteld. Dit beroepschrift bevat geen gronden. Dat de betrokkene bij het indienen wel gronden heeft vermeld zoals de betrokkene stelt, is niet aannemelijk geworden. De enkele stelling van de betrokkene dat hij daarbij wel gronden heeft ingediend, is daarvoor onvoldoende.
6. De officier van justitie heeft de betrokkene in een brief van 18 augustus 2022 er op gewezen dat het beroepschrift geen gronden bevat. De officier van justitie heeft de betrokkene de gelegenheid gegeven om binnen vier weken na dagtekening van de brief alsnog de gronden toe te sturen. Daarbij is gemeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als er geen gronden worden ingediend.
7. Gelet op deze brief moest de betrokkene de gronden uiterlijk 15 september 2022 toesturen.
8. Het dossier bevat een brief, gedateerd 15 september 2022, met de gronden van het beroep. Deze is, zo blijkt uit een ontvangststempel op de brief en de envelop, op 22 september 2022 ontvangen door de officier van justitie. De envelop bevat geen poststempel. Op de envelop staat linksboven met de handgeschreven ‘verzonden 15-9-‘22’.
9. Als een poststuk via PostNL wordt verzonden geldt in situaties als deze - wanneer het geen poststempel bevat - als uitgangspunt dat het poststuk geacht wordt tijdig ter post te zijn bezorgd als het is ontvangen op de eerste of de tweede werkdag na de laatste dag van de termijn voor het toesturen van de gronden, tenzij op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan op de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd. In dit geval is de brief op de vijfde werkdag na de laatste dag van de gegeven termijn ontvangen, dus wordt het niet geacht tijdig ter post te zijn bezorgd. Het ligt dan op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat verzending tijdig heeft plaatsgevonden. Dat de betrokkene de datum waarop het poststuk zou zijn verzonden op de envelop heeft geschreven en de stelling dat de brief die dag in de brievenbus heeft gedaan, is hiervoor onvoldoende. In beginsel aanvaardt degene die per gewone post een stuk verzendt het risico dat er geen bewijs van verzending is en dat het betreffende stuk de geadresseerde niet tijdig bereikt. Wanneer een door de betrokkene verzonden stuk de geadresseerde niet tijdig bereikt, komen de gevolgen daarvan voor rekening van de betrokkene.
10. Het verzuim van de gronden in te dienen is daarom niet tijdig hersteld. Dat de betrokkene, anders dan de kantonrechter overweegt, de brief wel (door middel van een postzegelcode) heeft gefrankeerd, maakt het voorgaande niet anders. De postzegelcode bevat geen informatie over de datum van verzending. De officier van justitie heeft het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter heeft juist beslist. Het hof kan daarom, evenals de officier van justitie en de kantonrechter, het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Dat betekent dat het hof ook niet kan ingaan op wat de betrokkene aanvoert tegen de sanctie van € 400,-.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.