ECLI:NL:GHARL:2024:6087

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
30 september 2024
Zaaknummer
200.345.441/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep oma tegen niet-uitvoering machtiging uithuisplaatsing minderjarige

In deze zaak is oma in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kinderrechter dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige niet bij haar ten uitvoer mag worden gelegd. De minderjarige woont sinds februari 2022 bij oma, maar de pleegzorgbegeleiding werd beëindigd omdat oma niet aan de pleegouderschapscriteria voldeed.

De kinderrechter verlengde de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, maar verbood uitvoering daarvan bij oma. Het hof heeft in een tussenbeschikking geoordeeld dat er geen sprake is van acuut gevaar voor de minderjarige in de opvoedingssituatie bij oma, zodat het raadsonderzoek kan worden afgewacht voordat een definitieve beslissing wordt genomen.

De GI en de raad voor de kinderbescherming gaven aan dat oma zich houdt aan veiligheidsafspraken en dat intensieve hulpverlening plaatsvindt. Wel zijn er zorgen over de draagkracht van oma en het contact met de ouders, maar deze zijn onvoldoende om onmiddellijke overplaatsing te rechtvaardigen. Het hof schorst daarom de niet-uitvoering van de machtiging en draagt op het raadsonderzoek uit te breiden en het rapport aan het hof te doen toekomen. De geplande mondelinge behandeling wordt uitgesteld.

Uitkomst: Het hof schorst de niet-uitvoering van de machtiging tot uithuisplaatsing bij oma en wacht het raadsonderzoek af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.441/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 235781)
beschikking van 24 september 2024
in de zaak van
[verzoekster](de oma moederszijde),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. N. Groeneveld te Hoogezand,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder](de moeder),
[de vader](de vader),
die wonen in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. Özsaran te Groningen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 juli 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 23 augustus 2024;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 16 juli 2024, op 10 september 2024 ontvangen van de rechtbank;
- een brief namens de oma moederszijde van 12 september 2024 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de ouders van 16 september 2024;
- een e-mailbericht namens de oma moederszijde van 17 september 2024.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 17 september 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de oma moederszijde, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- een vertegenwoordiger van de raad
- de vader.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2021. Zij oefenen samen het gezag over [de minderjarige1] uit. De ouders hebben nog drie minderjarige kinderen, te weten:
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016, die bij de oma vaderszijde woont;
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2019, die in een pleeggezin woont;
- [de minderjarige4] , geboren [in] 2024.
De ouders verblijven sinds de geboorte van [de minderjarige4] met haar in een ouder-kindhuis van [naam1] .
3.2
[de minderjarige1] woont sinds 22 februari 2022 bij de oma moederszijde (hierna ook te noemen: oma). Bij beschikking van 19 juli 2023 is [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van de GI en is aan de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] bij oma met ingang van 19 juli 2023 tot 19 juli 2024.
3.3
Pleegzorg Leger des Heils heeft in de ‘Eindconclusie Criteria Pleegouderschap’ van 24 oktober 2023 geconcludeerd dat oma niet voldoet aan de criteria voor pleegouderschap. In november 2023 is de pleegzorgbegeleiding daarom geëindigd.
3.4
Naar aanleiding van het beëindigen van de pleegzorgbegeleiding heeft de GI samen met de betrokken gezinscoaches van het Leger des Heils (10 voor Toekomst) veiligheidsafspraken met oma gemaakt.
3.5
De GI heeft de rechtbank op 24 juni 2024 verzocht om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] te verlengen voor de duur van een jaar en om de machtiging om [de minderjarige1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin met ingang van 19 juli 2024 voor de duur van een jaar te verlengen om het opgroeiperspectief van [de minderjarige1] te onderzoeken en om de ingezette hulpverlening te kunnen continueren.
3.6
Bij de bestreden beschikking van 16 juli 2024 heeft de kinderrechter:
- de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] verlengd tot 26 november 2024 of zoveel korter of langer als nader zal worden bepaald;
- aan de GI een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] voor de duur van de ondertoezichtstelling;
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- bepaald dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van oma;
- gelast dat de raad een onderzoek doet naar de vraag of een verdere verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog geëigend is dan wel of een verwijzing naar het vrijwillig kader kan volgen dan wel of een verderstrekkende maatregel in het belang van [de minderjarige1] noodzakelijk is;
- bepaald dat de zaak opnieuw mondeling wordt behandeld op dinsdag 12 november 2024 om 9:00 uur, zo nodig gevoegd met nieuwe verzoeken die worden gedaan en die betrekking hebben op [de minderjarige1] ;
- aan de ouders als advocaat toegevoegd mr. J.S. Özsaran te Groningen;
- iedere verdere beslissing aangehouden.

4.De omvang van het geschil

Oma is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, maar alleen voor zover het betreft de beslissing van de kinderrechter dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van oma. Oma verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen op dit punt en te bepalen dat [de minderjarige1] gedurende in ieder geval de duur van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing (tot 26 november 2024) bij haar als zijn huidige pleegouder blijft.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De bij de bestreden beschikking uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] tot 26 november 2024 zijn in hoger beroep niet in geschil. In dit hoger beroep ligt enkel ter beoordeling aan het hof voor of de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] niet ten uitvoer mag worden gelegd bij oma.
5.2
De rechtbank heeft de beslissing dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] niet ten uitvoer mag worden gelegd in het netwerkpleeggezin van oma uitdrukkelijk niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op grond van het bepaalde in artikel 360 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schorst het hoger beroep van oma daarom de werking van deze beslissing van de rechtbank.
5.3
Het hof heeft gelet hierop aanleiding gezien om na ontvangst van het beroepschrift een regiezitting te bepalen, om te beoordelen of sprake is van zodanig acuut gevaar van [de minderjarige1] in de opvoedingssituatie bij oma dat de uitkomsten van het door de rechtbank gelaste raadsonderzoek niet kunnen worden afgewacht alvorens het hof in dit hoger beroep beslist.
5.4
Het hof is er op grond van de stukken en de behandeling ter zitting niet van overtuigd geraakt dat er op dit moment een dergelijk acuut gevaar is gelegen in de opvoedingssituatie bij oma. De GI heeft ter zitting verklaard dat oma zich goed houdt aan de afspraken en bodemeisen uit het in samenspraak met 10 voor Toekomst opgestelde veiligheidsplan van november 2023 en het Vervolg hulpverleningsplan van maart 2024. De hulpverlening van
10 voor Toekomst is opgeschaald naar drie keer per week, waarbij zowel geplande als onverwachte bezoeken aan oma plaatsvinden. De GI heeft geen zorgen over de fysieke of seksuele veiligheid van [de minderjarige1] . Wel heeft de GI zorgen over de grilligheid in het contact tussen oma en de ouders en over de draagkracht van oma in relatie tot de verzwaarde opvoedingsvraag van [de minderjarige1] . Deze zorgen moeten weliswaar worden betrokken bij het oordeel dat het hof in deze zaak moet geven over de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] ten uitvoer mag worden gelegd bij oma, maar maken naar het oordeel van het hof niet dat op dit moment acuut in een andere opvoedingssituatie voor [de minderjarige1] moet worden voorzien. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat de raad ter zitting heeft geadviseerd om in afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek geen wijziging aan te brengen in de woonplaats van [de minderjarige1] . Als [de minderjarige1] nu naar een ander pleeggezin zou worden overgeplaatst en uit het raadsonderzoek zou blijken dat hij wél bij oma zou kunnen blijven, betekent dit dat [de minderjarige1] onnodig is overgeplaatst en dat is volgens de raad schadelijk voor [de minderjarige1] . Het heeft volgens de raad de voorkeur om met behulp van de intensieve hulpverlening die oma op dit moment krijgt de situatie in de periode van het raadsonderzoek ‘met stutten en steunen goed genoeg’ te laten zijn voor [de minderjarige1] , dit vanwege zijn gehechtheid aan oma. De raad heeft ter zitting gelet op de genoemde zorgen niet uitgesloten dat het op enig moment beter voor [de minderjarige1] zou kunnen zijn dat hij op een neutrale plek wordt geplaatst, maar de vraag of dat zo is, moet worden onderzocht door de raad. Dat onderzoek zal blijkens de mededeling van de raad in de week na deze zitting van start gaan. Net als de raad acht het hof het van groot belang dat onnodige overplaatsingen van [de minderjarige1] worden voorkomen. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de situatie van [de minderjarige1] acuut onveilig is, is het hof van oordeel dat de uitkomsten van het raadsonderzoek moeten worden afgewacht voordat op het hoger beroep kan worden beslist. Zoals ter zitting is besproken, zal het hof de raad wel verzoeken zijn onderzoek uit te breiden, in die zin dat ook de vraag wordt beantwoord of een voortgezette plaatsing van [de minderjarige1] bij oma in zijn belang moet worden geacht en of zijn veiligheid daar voldoende gewaarborgd is.
5.5
Het hof had reeds een inhoudelijke mondelinge behandeling van het hoger beroep gepland op 5 november 2024. Omdat de raad heeft aangegeven dat het raadsonderzoek naar verwachting op 5 november 2024 nog niet gereed zal zijn, zal de geplande mondelinge behandeling geen doorgang vinden. Het hof zal partijen gelasten om het raadsrapport aan het hof te doen komen zodra dat klaar is. Alsdan zal een nadere mondelinge behandeling worden bepaald.
5.6
Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad het door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, bij de bestreden beschikking van 16 juli 2024 gelaste raadsonderzoek uit te breiden in die zin dat ook de vraag wordt beantwoord of een voortgezette plaatsing van [de minderjarige1] bij oma in zijn belang moet worden geacht en of zijn veiligheid daar voldoende gewaarborgd is;
draagt partijen op om het raadsrapport aan het hof te doen toekomen zodra dat gereed is;
bepaalt dat alsdan een nadere mondelinge behandeling door het hof zal worden bepaald;
bepaalt dat de mondelinge behandeling die gepland stond op 5 november 2024 om 9.30 uur komt te vervallen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. Lorist, mr. L. van Dijk en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 24 september 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.