Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op €3.804.000 per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de zeswekentermijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, kende een immateriële schadevergoeding van €50 toe wegens termijnoverschrijding en wees proceskosten en griffierecht af.
In hoger beroep beperkte belanghebbende het geschil tot de ontvankelijkheid van het bezwaar, de hoogte van de immateriële schadevergoeding en de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hof oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het te laat was ingediend. De redelijke termijn was met ruim twee maanden overschreden, maar de vergoeding moest conform het arrest van de Hoge Raad worden verhoogd naar €500.
Daarnaast bepaalde het hof dat het betaalde griffierecht in zowel de beroeps- als hogerberoepsfase aan belanghebbende moet worden vergoed, omdat aan de voorwaarden uit het arrest van 31 mei 2024 werd voldaan. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten van €875 en het griffierecht van in totaal €913.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht betrof, maar bevestigd voor het overige. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.