Partijen, voormalige echtgenoten en ouders van een minderjarige geboren in 2017, zijn in geschil over de hoofdverblijfplaats van hun dochter en de door de moeder gewenste verhuizing naar de Verenigde Staten. De rechtbank had bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de vader zou zijn en het ouderschapsplan aan de beschikking gehecht.
De moeder is in hoger beroep gekomen en verzocht het hof de beschikking te vernietigen, de hoofdverblijfplaats bij haar te bepalen en vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing en inschrijving op een school in de VS. De vader verzocht het hof de beschikking te bekrachtigen.
Het hof overwoog dat de minderjarige sinds 2020 in Nederland woont, het grootste deel van haar leven bij de vader, waar zij geworteld is en een stabiele, liefdevolle verzorging geniet. De band met de vader is goed en er zijn geen contra-indicaties voor verblijf bij hem. Hoewel de moeder en minderjarige een goede band hebben, weegt het belang van continuïteit en stabiliteit zwaar.
Het hof zag geen noodzaak om de minderjarige door een gedragsdeskundige te laten horen en kende geen waarde toe aan de wens van de minderjarige in telefoongesprekken met de moeder vanwege mogelijke loyaliteitsgevoelens. De beschikking van de rechtbank werd bekrachtigd en het verzoek van de moeder afgewezen. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.