Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en kantoorgenoot mr. S.A.S. Matheij;
- een vertegenwoordiger van de raad,
- twee vertegenwoordiger van de GI.
3.De feiten
- te bepalen dat de verdeling van de gemeenschappelijke roerende zaken heeft plaatsgevonden en de afgifte van de persoonlijke spullen van de man heeft plaatsgevonden door te bepalen dat ieder van partijen onder zich houdt hetgeen deze onder zicht heeft;
- te bepalen dat de vrouw een verrekenvordering heeft op de man van € 77.903,54;
- te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 68.361,22 op de man;
- de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning opnieuw te gelasten overeenkomstig de door de rechtbank in de bestreden beschikking onder 4.6 weergegeven wijze met dien verstande dat de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld voor een bedrag van € 675.000,-, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de voormalige echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening, en de verplichting van de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 166.527,60, zijnde de helft van de overwaarde waarop verminderd de verrekenvordering van de vrouw op de man van € 77.903,54 en de vergoedingsrechten van de vrouw op de man van € 68.361,22, zodat per saldo de vrouw aan de man een bedrag van € 20.262,84 dient te voldoen, dan wel onder de verplichting van betaling van een bedrag dat het hof juist acht;