Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling van het verzoek
3.3. De beslissing
25 januari 2024.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren van de strafkamers van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens vermeende partijdigheid. Dit was gebaseerd op het feit dat de officier van justitie in de strafzaak van verzoeker eerder als advocaat-generaal bij hetzelfde hof werkzaam was geweest.
De wrakingskamer oordeelde dat het primaire wrakingsverzoek tegen alle raadsheren niet-ontvankelijk was, omdat de wet geen voorziening biedt voor wraking van rechters die niet direct bij de zaak betrokken zijn. Het subsidiaire verzoek tegen de zittingscombinatie werd inhoudelijk beoordeeld en afgewezen, omdat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond.
De wrakingskamer benadrukte het uitgangspunt van rechterlijke onpartijdigheid en wees erop dat de vrees voor partijdigheid objectief moet zijn. Bovendien werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken op dezelfde grondslag niet in behandeling worden genomen om misbruik te voorkomen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen alle raadsheren is niet-ontvankelijk verklaard en het subsidiaire verzoek tegen de zittingsleden is afgewezen.