In deze civiele zaak gaat het om de koop van een bestelauto die later als gestolen werd aangemerkt. De koper had de bestelauto op naam van zijn vennootschap gezet, maar de RDW verklaarde de tenaamstelling vervallen en de politie nam de auto in beslag. De koper vorderde terugbetaling van de koopsom van € 11.500,-, maar de kantonrechter wees alle vorderingen af. Na hoger beroep werd verstek verleend aan de verkoper, waarna het hof haar veroordeelde tot betaling van de koopsom met rente en kosten.
De verkoper maakte verzet tegen dit verstekarrest, stellende dat geen sprake was van wederzijdse dwaling omdat de vervallenverklaring van het kenteken een toekomstige omstandigheid zou zijn. Het hof verwierp dit en oordeelde dat beide partijen bij de koop uitgingen van een correcte kentekenstatus, terwijl de auto feitelijk gestolen was. De verkoper voerde ook andere verweren, zoals omkatting en het niet aanvechten van de vervallenverklaring door de koper, maar deze werden onvoldoende onderbouwd en niet tijdig aangevoerd.
Het hof verklaarde het verzet ongegrond en bevestigde het verstekarrest. De verkoper werd veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom en de proceskosten, die op nihil werden begroot vanwege eerdere toekenning van procespunten. Hiermee blijft de koper gerechtigd tot restitutie van de koopsom wegens wederzijdse dwaling over de gestolen bestelauto.