Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Jeugdbescherming regio Amsterdam,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over twee minderjarige kinderen. De kinderen zijn sinds januari 2022 onder toezicht gesteld en wonen sinds begin 2022/2023 op basis van spoedmachtigingen bij de vader. De moeder is het niet eens met de rechtbankbeslissing die het gezag aan de vader toekent en stelt dat het gezamenlijk gezag behouden moet blijven, mede omdat zij hulpverlening ontvangt en verbetering verwacht.
De vader voert aan dat communicatie tussen ouders niet mogelijk is en dat de moeder onvoldoende meewerkt aan belangrijke zaken zoals schoolaanmelding en zorgverzekering. De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming ondersteunen het standpunt dat het gezag aan de vader moet worden toegewezen, omdat de moeder onvoldoende in staat is het gezag uit te oefenen.
Het hof bevestigt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders en dat binnen afzienbare tijd geen verbetering te verwachten is. De moeder kon onvoldoende onderbouwing leveren van verbetering, terwijl de vader concrete voorbeelden gaf van gebrekkige communicatie. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het gezag toe aan de vader, met het oog op het belang van de kinderen en het contactherstel met de moeder onder begeleiding.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het gezag over de kinderen toe aan de vader wegens onaanvaardbaar risico en onvoldoende verbetering bij de moeder.