Partijen zijn in 2020 gehuwd en hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld, waardoor de Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen van toepassing is. De vrouw heeft in 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend en het huwelijk is in 2024 ontbonden. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de beperkte gemeenschap vastgesteld.
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar verzoek tot verdeling van de inboedel, specifiek de eethoek, die zij aan de man wil toedelen tegen een vergoeding van € 2.000,-. De man voert verweer en stelt dat de eethoek vóór het huwelijk door hem is aangeschaft en derhalve geen onderdeel is van de beperkte gemeenschap.
Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat de eethoek, bestaande uit een tafel, drie stoelen, een op maat gemaakte hoekbank en een spiegel, allemaal vóór het huwelijk zijn aangeschaft. De vrouw heeft dit niet betwist. Het hof oordeelt dat deze goederen geen deel uitmaken van de beperkte gemeenschap en wijst het verzoek van de vrouw af. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.