Partijen, voormalige partners en ouders van een minderjarige, hebben een geschil over de financiële afspraken in hun ouderschapsplan, met name over de kinderopvangtoeslag en het gebruik van een gezamenlijke kindrekening. De man stelt dat in 2018 gewijzigde afspraken zijn gemaakt waardoor de kinderopvangtoeslag niet meer op de kindrekening hoeft te worden gestort, terwijl de vrouw vasthoudt aan de oorspronkelijke regeling met enkele aanpassingen.
Het hof stelt vast dat de gewijzigde afspraken uit 2018 duurzaam van aard zijn en dat de man onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het tegendeel. De man wordt veroordeeld om de door hem ontvangen kinderopvangtoeslagen en coronacompensaties vanaf januari 2018 tot en met oktober 2023, een bedrag van €15.433,41, plus toekomstige toeslagen en een bedrag van €600,- alsnog op de kindrekening te storten.
Verder wijst het hof de vordering van de man tot verrekening af, omdat de afspraken over de bijdragen 50/50 zijn overeengekomen ongeacht de zorgverdeling. Ook wordt het verzoek tot opheffing van de kindrekening afgewezen, aangezien partijen nog steeds uitvoering geven aan de gemaakte afspraken. De proceskosten worden aan de man opgelegd.