De veroordeelde, geboren in Ierland en veroordeeld voor medeplegen van doodslag, maakt bezwaar tegen het voornemen van de minister om zijn gevangenisstraf aan Ierland over te dragen. Hij voert aan dat de overdracht niet aan formele vereisten voldoet, dat lopende vreemdelingenrechtelijke procedures en een klacht bij het EHRM de overdracht moeten verhinderen, en dat detentieomstandigheden in Ierland onmenselijk zijn.
Het hof overweegt dat de veroordeelde geen verblijfsrecht meer in Nederland heeft en dat overdracht aan Ierland, waar hij zijn vaste woonplaats heeft, passend is voor zijn resocialisatie. Het bezwaar tegen de overdracht wegens lopende procedures en strafonderbreking wordt verworpen. Ook acht het hof de detentieomstandigheden in Ierland, ondanks algemene zorgen over overbevolking en faciliteiten, niet zodanig dat de overdracht geweigerd moet worden, mits de minister garanties krijgt dat de veroordeelde niet aan onmenselijke behandeling wordt blootgesteld.
De verplichting tot betaling van schadevergoeding vormt geen beletsel voor overdracht. Het hof concludeert dat de minister in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen en verklaart het bezwaar ongegrond.