De zaak betreft een geschil tussen ouders over de zorgregeling voor hun minderjarige kind, geboren in 2018, dat bij de moeder woont en onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling tot november 2024.
De vader verzocht om een omgangsregeling met het kind, terwijl de moeder dit afwees. De rechtbank had eerder een zorgregeling vastgesteld, maar de moeder ging in hoger beroep om deze beslissing ongedaan te maken en het verzoek van de vader af te wijzen.
Tijdens de zitting bleek dat er al geruime tijd geen contact meer is tussen vader en kind, en ook de vader niet bereikbaar is voor betrokkenen zoals zijn advocaat en hulpverleners. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden het hof om geen zorgregeling vast te stellen.
Het hof oordeelde dat het vaststellen van een zorgregeling niet uitvoerbaar is en in strijd met het belang van het kind en de moeder, mede gezien de persoonlijke problematiek van beide ouders en het belast verleden. Daarom vernietigde het hof de eerdere beschikking van de rechtbank en wees het het verzoek van de vader af.