Betrokkene heeft sinds 2006 een mentor en bewindvoerder. Verzoekster, zus van betrokkene, verzocht in 2023 om ontslag van de huidige mentor en haar benoeming tot opvolgend mentor. De kantonrechter wees dit verzoek af. In hoger beroep bevestigt het hof deze beslissing.
Verzoekster stelde dat de mentor onvoldoende beschikbaar was en nalatig in het inschakelen van professionele zorg na twee incidenten. De mentor verklaarde dat ziekte van een medewerker tijdelijk werd opgevangen binnen de organisatie en dat zij adequaat contact hield met de begeleiding en huisarts van betrokkene. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van nalatigheid of verminderde beschikbaarheid.
Ook het aanvullende verzoek van verzoekster om betrokkene te verhuizen naar een instelling dichter bij haar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege strijd met de twee-conclusieregel en het ontbreken van een rechtsgrond.
Het hof benadrukte dat medische en welzijnszaken door de mentor moeten worden beoordeeld en dat verzoekster deze niet buiten de mentor om moet oppakken. De bestreden beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd en de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij de mentor haar kosten ten laste van het vermogen van betrokkene mag brengen.