De man en vrouw zijn in 2020 getrouwd en de rechtbank heeft in oktober 2023 bepaald dat de vrouw exclusief gebruik mocht maken van de huurwoning, met een bevel aan de man om de woning te verlaten. In mei 2024 sprak de rechtbank de echtscheiding uit en bepaalde dat de vrouw huurder van de woning zou zijn vanaf inschrijving van de beschikking.
De man kwam in hoger beroep met drie grieven en verzocht tevens om wijziging van de voorlopige voorziening, waarbij hij wilde dat hij exclusief gebruik zou mogen maken van de woning. De vrouw verzocht het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren of zijn verzoeken af te wijzen.
Het hof oordeelde dat de voorlopige voorziening nog steeds doorloopt en dat het geschil gaat over wie het huurrecht mag voortzetten. Hoewel de vrouw inmiddels in een andere huurwoning woont en de voormalige echtelijke woning niet meer beschikbaar zou zijn, heeft het hof geoordeeld dat dit buiten haar beoordelingsbereik valt. Het hof vond dat de vrouw een groter belang heeft bij het huurrecht dan de man, die onvoldoende onderbouwde dat hij zonder adres geen zorg kan krijgen of dat hij een groter belang heeft bij de woning.
Het hof wees het verzoek van de man tot wijziging van de voorlopige voorziening en het verzoek in de hoofdzaak af en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank van 30 mei 2024. De beslissing werd op 12 november 2024 in het openbaar uitgesproken.