Verdachte stond terecht voor overtreding van de Leerplichtwet 1969 omdat zij niet had voldaan aan de verplichting om haar dochters als leerlingen op een school ingeschreven te hebben in de periode van 1 september 2022 tot 18 november 2022.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter omdat het tot een andere bewezenverklaring kwam: alleen het niet-inschrijven van de jongste dochter werd bewezen, terwijl de oudste dochter wel ingeschreven stond. Verdachte werd daarom vrijgesproken voor het deel van de tenlastelegging betreffende de oudste dochter.
De verdediging voerde onder meer aan dat verdachte thuisonderwijs gaf en dat er sprake was van rechtsongelijkheid door verschillend gemeentelijk beleid. Het hof oordeelde dat de keuze voor thuisonderwijs zonder geldige vrijstelling niet toelaatbaar is en dat het belang van het onderwijsstelsel prevaleert.
Het hof legde een voorwaardelijke geldboete van €400,- op met een proeftijd van twee jaar, waarbij de geldboete niet ten uitvoer wordt gelegd tenzij verdachte binnen die termijn opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De uitspraak benadrukt het belang van inschrijving en regelmatige schoolbezoek voor de brede ontwikkeling van kinderen en de maatschappelijke participatie.