In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 november 2024 een tussenarrest gewezen in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2021. De officier van justitie vordert vernietiging van het vonnis en veroordeling van verdachte tot zeven jaar gevangenisstraf, terwijl de verdediging streeft naar vrijspraak.
Tijdens de zitting zijn twee getuigen gehoord, waaronder een medeverdachte die momenteel in een penitentiaire inrichting verblijft. Het hof constateerde dat het onderzoek niet volledig was en besloot het onderzoek te heropenen om een aanvullende getuige te horen. Verzoeken van de verdediging om andere getuigen te horen en om een woordelijke uitwerking van een specifieke passage uit een tapgesprek werden afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.
De verdediging had onder meer verzocht om een getuige te horen over de feitelijke gang van zaken rondom een schip dat zijdelings in het dossier voorkomt, maar dit werd door het hof niet als relevant voor de tenlastegelegde feiten beschouwd. Ook een verzoek tot uitwerking van een tapgesprek waarin een medeverdachte zou zeggen dat iemand hem 'de hand boven het hoofd houdt' werd afgewezen.
De beslissing op de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van verdachte wordt aangehouden tot het eindarrest. Het onderzoek wordt hervat op een nader te bepalen zitting waarbij verdachte, medeverdachte en het slachtoffer zullen worden opgeroepen. Het tussenarrest is gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, en raadsheren mr. E.W. van Weringh en mr. L. Pieters.