Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoekster heeft bij de kantonrechter verzocht het tijdelijk bewind over haar goederen op te heffen, ingesteld tot 29 april 2026. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna verzoekster in hoger beroep ging met zes grieven. Zij stelde dat het bewind ten onrechte was ingesteld, niet meer noodzakelijk was en niet in haar belang.
De bewindvoerder steunde de afwijzing en gaf aan dat het bewind noodzakelijk blijft vanwege de problematische schulden en het gebrek aan medewerking van verzoekster. Het hof onderzocht de feiten, waaronder de daling van de schuldenlast, het gebruik van voedsel- en kledingbonnen in plaats van bankgeld, en het positieve banksaldo.
Het hof concludeerde dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bewind niet meer nodig of zinvol is. De vergelijking met een eerdere beschikking van een ander hof was niet van toepassing. De grieven faalden en het hof bekrachtigde de bestreden beschikking van de kantonrechter.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het bewind af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.