In deze zaak gaat het om een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van hun minderjarige kind. De rechtbank had eerder bepaald dat het hoofdverblijf bij de vader ligt en een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige meerdere dagen bij de vader verblijft. De moeder verzocht om schorsing van deze beschikking en het treffen van een voorlopige voorziening, waarbij zij wilde terugkeren naar de oude regeling met minder contactmomenten bij de vader.
Het hof heeft de procedure beoordeeld en vastgesteld dat de moeder geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. De door de moeder aangevoerde klachten van de minderjarige zijn niet nieuw en kunnen niet eenduidig aan de zorgregeling bij de vader worden toegeschreven. Ook het gebruik van kinderopvang door de vader wordt niet als een reden gezien om de beschikking te schorsen.
Het hof concludeert dat de zorgregeling en hoofdverblijfplaats zoals vastgesteld door de rechtbank terecht zijn en dat er geen sprake is van een kennelijke misslag. Daarom wordt het verzoek tot schorsing en voorlopige voorziening van de moeder afgewezen. De beschikking is uitgesproken door drie rechters en is openbaar gedaan op 25 juni 2024.