ECLI:NL:GHARL:2024:7308

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 november 2024
Publicatiedatum
27 november 2024
Zaaknummer
Wahv 200.341.431/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 14 WahvArt. 267 VwEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie milieuzone geslotenverklaring verworpen wegens onjuiste oproeping

De betrokkene was gesanctioneerd met een boete van €100 wegens het rijden in een milieuzone waar een geslotenverklaring van toepassing is. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees een verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en verzocht om behandeling op zitting.

Tijdens de procedure stelde de betrokkene dat hij niet correct was opgeroepen voor de zitting bij de kantonrechter. Het hof constateerde dat de oproep weliswaar correct geadresseerd was, maar dat de rechtbank geen deugdelijke verzendadministratie had en de oproep niet aangetekend was verzonden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de betrokkene behoorlijk was opgeroepen, wat in strijd is met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en behandelde vervolgens het beroep tegen de sanctie zelf. De betrokkene voerde aan dat de geslotenverklaring van de milieuzone in strijd zou zijn met Europees recht en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld hadden moeten worden. Het hof oordeelde dat het beperken van het gebruik van de openbare weg door de wegbeheerder niet evident in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht en zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen.

Uiteindelijk verklaarde het hof het beroep tegen de sanctie van €100 ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De zaak werd op 27 november 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandeld en het arrest werd op die datum gewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het beroep tegen de sanctie van €100 ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.431/01
CJIB-nummer
: 254694168
Uitspraak d.d.
: 27 november 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Tevens is verzocht om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 november 2024. De betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. De opgelegde sanctie bedraagt € 100,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
3. De betrokkene voert aan geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te hebben ontvangen.
4. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een (…) openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
5. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte, en correct geadresseerde, brief van de griffier van de rechtbank van 8 februari 2024, waarin hij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 maart 2024. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de uitnodiging niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Dat brengt mee dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.
6. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. De overige gronden tegen voornoemde beslissing behoeven geen bespreking meer. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “als bestuurder van een personenauto/bedrijfsauto/bus een weg gebruiken in strijd met bord C22a 9geslotenverklaring milieuzone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2022 om 10:23 uur op het Schenkviaduct in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
8. De betrokkene voert in hoger beroep - zakelijk weergegeven en kort samengevat - aan dat het categorisch uitsluiten van voertuigen in een bepaald gebied in strijd is met Europees recht. Het nationale recht betreffende het instellen van en handhaven bij milieuzones dient dan ook buiten toepassing te worden verklaard. In diverse uitspraken heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) overwogen dat Europese wetgeving altijd voorrang heeft op nationale wetgeving. Het niet in acht nemen van deze voorrangsregel, is een ambtsmisdrijf. Een rechtelijke instantie dient in een geval als het onderhavige op grond van artikel 267 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) een prejudiciële vraag te stellen aan van het HvJEU.
9. Voor zover de betrokkene zich op het standpunt stelt dat de wegbeheerder ter plaatse het gebruik van het voertuig op de openbare weg niet mag beperken, is dat niet juist. De regelgever heeft de wegbeheerder immers bevoegdheden toegekend om voor het gebruik van een voertuig op de openbare weg nadere regels te stellen. Dat deze bevoegdheden evident in strijd zijn met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht, is het hof in deze zaak niet gebleken. Gelet hierop bestaat ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen in deze zaak. De gronden falen.
10. Het hof zal als volgt beslissen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.