ECLI:NL:GHARL:2024:7391

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2024
Publicatiedatum
28 november 2024
Zaaknummer
Wahv 200.344.422/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor parkeren op gehandicaptenparkeerplaats ondanks eerdere waarschuwing

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €410 wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig. De betrokkene voerde in hoger beroep aan dat een eerdere waarschuwing om 07:05 uur het vertrouwensbeginsel schond, omdat geen tijdslimiet was gesteld en daardoor geen sanctie meer opgelegd had mogen worden.

Het hof stelde vast dat de overtreding om 08:00 uur nog voortduurde en dat er sprake was van hinder voor de rechthebbende van de gehandicaptenparkeerplaats. De ambtenaar had discretionaire bevoegdheid om alsnog een sanctie op te leggen. De waarschuwing was niet concreet en ondubbelzinnig genoeg om een gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat geen sanctie zou volgen.

Het hof verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en bevestigde de beslissing van de kantonrechter om de sanctie op te leggen en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. De recente wetswijziging betreffende kostenvergoeding werd niet inhoudelijk behandeld omdat het verzoek werd afgewezen.

Uitkomst: De sanctie van €410 voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats wordt bevestigd ondanks eerdere waarschuwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.422/01
CJIB-nummer
: 254439420
Uitspraak d.d.
: 28 november 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2024, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
Op 14 oktober 2024 is nog een schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 410,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 december 2022 om 08.00 uur op de Tak van Poortvlietstraat (ter hoogte van perceelnummer 8) in 'sGravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat door de ambtenaar in strijd met het vertrouwensbeginsel is gehandeld door om 07.00 uur een waarschuwing te geven en vervolgens om 08.00 uur alsnog een boete op te leggen. Daarbij wijst de gemachtigde erop dat op de waarschuwing geen tijdslimiet is vermeld dat het voertuig voor een bepaald tijdstip moest worden verplaatst. De gemachtigde stelt dat vanwege het ontbreken van een voorwaarde sprake is van een concrete en ondubbelzinnige waarschuwing en daarom had de ambtenaar niet alsnog handhavend mogen optreden. Tot slot uit de gemachtigde zijn zorgen over de recente wetswijzing die de kostenvergoeding voor rechtsbijstand met 75 procent verlaagt.
3. Gezien de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt betwist, staat vast dat de gedraging is verricht. Gelet op wat is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten.
4. Namens de betrokkene is een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Een dergelijk beroep kan slagen wanneer aan een uitlating van een namens het bevoegde orgaan gedane persoon het gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend dat geen sanctie zou worden opgelegd. Is dat het geval, dan moet worden nagegaan of er zich na die toezegging omstandigheden hebben voorgedaan, op grond waarvan er alsnog tot het opleggen van een sanctie kon worden overgegaan.
5. In het dossier bevindt zich een door de gemachtigde ingebrachte afbeelding van een formulier van de gemeente Den Haag. Hierop is met pen bij “tijdstip/datum” ingevuld: 07.05 uur. Vervolgens is bij “kennisgeving van” het vakje waarschuwing aangekruist. Van het ingevulde tijdstip 07.05 uur naar het woord waarschuwing is met pen een pijl getekend. Het betreffende formulier bevat rechts onderaan een QR-code. Als deze gescand wordt, wordt informatie over het parkeerbeleid van de gemeente Den Haag zichtbaar.
6. Uit de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht volgt niet dat hij in eerste instantie een waarschuwing heeft aangekondigd. De ambtenaar verklaart wel dat hij tijdens het opmaken van de bon (om 08.00 uur) met de melder heeft gesproken die niet op de gereserveerde parkeerplaats kon parkeren. Daarbij is aangegeven dat de melder het niet nodig vond het voertuig te laten wegslepen omdat op een parkeerplaats dichtbij kon worden geparkeerd. Verder heeft de ambtenaar niemand gezien of gesproken.
7. Voor zover al aangenomen kan worden dat bovengenoemde waarschuwing van 07.05 uur ziet op deze overtreding - onder meer het kenteken van het betreffende voertuig, de datum van overtreding en het verbalisantnummer zijn niet ingevuld - is het hof van oordeel dat de betrokkene hieraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat geen sanctie zou worden opgelegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de bevoegdheid van de ambtenaar om over te gaan tot het opleggen van een sanctie discretionair van aard is. Dat betekent dat de ambtenaar per geval beoordelingsvrijheid heeft om te beslissen of hij volstaat met een waarschuwing dan wel (direct) een sanctie oplegt. Nu de overtreding om 08.00 uur nog niet was beëindigd en uit een gesprek van de ambtenaar met de rechthebbende van de gehandicaptenparkeerplaats volgt dat deze (op dat moment) hinder ondervond van het gebruik van die parkeerplaats door de betrokkene, kon de ambtenaar naar het oordeel van het hof alsnog tot het opleggen van een sanctie overgaan. Dat aan de waarschuwing geen tijdslimiet of voorwaarde was verbonden, zoals de gemachtigde stelt, maakt dat niet anders. Het beroep van de gemachtigde op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
8. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding de sanctie achterwege te laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet. De aangevoerde grond met betrekking tot het per 1 januari 2024 gewijzigde artikel 13a, tweede lid, van de Wahv behoeft daarom geen bespreking.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.