In deze zaak staat de verbouwing van een woning centraal waarbij de aannemingsovereenkomst tussen [appellante1] en [geïntimeerden] is ontbonden. De woning werd op 9 mei 2020 betrokken, waarna gebreken werden gemeld. Diverse herstelwerkzaamheden volgden, maar uiteindelijk staakte [appellante1] de werkzaamheden wegens ziekte.
[Geïntimeerden] vorderden ontbinding van de overeenkomst, ongedaanmakingsverplichtingen en schadevergoeding, terwijl [appellanten] betaling van openstaande facturen eisten. De rechtbank wees de ontbinding toe en bepaalde de schadevergoeding, maar het hof vernietigt delen van dit vonnis. Het hof oordeelt dat er geen sprake was van oplevering op 9 mei 2020 en dat [appellante1] zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt na herhaalde kansen tot herstel.
De vordering uit ongedaanmaking blijft gehandhaafd, maar de schadevergoeding wordt verlaagd van €43.962,37 naar €29.325,87. Daarnaast worden de kosten van de deskundige van €6.545,10 toegewezen aan [geïntimeerden]. Partijen dragen hun eigen proceskosten in hoger beroep. Het hof veroordeelt [appellante1] tot betaling van het aangepaste schadebedrag en deskundigenkosten, en [geïntimeerden] tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen.