In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland inzake de vaststelling van kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen. De man en vrouw zijn de ouders van de kinderen, waarbij de vrouw het gezag uitoefent en de kinderen bij haar wonen.
De rechtbank had een bijdrage van €250 per kind per maand vastgesteld met ingang van 22 mei 2023. De man betwistte dit en verzocht om vernietiging van deze beschikking en afwijzing van het verzoek of een andere vaststelling van de bijdrage. Het hof hanteerde de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen en nam de berekeningen van behoefte en draagkracht als uitgangspunt.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op €508 per maand, waarbij rekening werd gehouden met noodzakelijke kosten zoals woonlasten en benzine voor nachtdiensten. Kosten zoals telefoon, zakgeld en schoolgeld werden niet in mindering gebracht op de draagkracht. Het hof oordeelde dat een eerdere ingangsdatum dan 15 januari 2024 tot een te grote betalingsachterstand zou leiden.
Daarom bekrachtigde het hof de hoogte van de alimentatie, maar wijzigde de ingangsdatum naar 15 januari 2024. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024 door de drie rechters.