In deze civiele zaak staat centraal of tussen partijen een pachtovereenkomst bestaat voor twee percelen landbouwgrond die eigendom zijn van de geïntimeerden. Appellanten stellen dat de moeder van geïntimeerden namens haar kinderen een pachtovereenkomst is aangegaan, terwijl geïntimeerden dit betwisten en wijzen op de aankoop van mais in 2016, wat volgens hen duidt op het ontbreken van pacht en bedrijfsmatige landbouw.
De pachtkamer oordeelde eerder dat geen pachtovereenkomst bestond en veroordeelde appellanten tot ontruiming. Beide partijen stelden hoger beroep in. In dit incident vorderen geïntimeerden inzage in jaarstukken, aankoopbewijzen en boekhoudgegevens van appellanten om hun stellingen te onderbouwen.
Het hof beoordeelt de vordering op grond van artikel 843a Rv en stelt dat inzage in de jaarstukken van 2016 tot en met 2022, aankoopbewijzen mais 2016 en boekhoudstukken over de verwerking van deze aankoop relevant en toewijsbaar zijn. Voor overige gevraagde stukken wijst het hof de vordering af wegens onvoldoende specificatie. Tevens beveelt het hof inzage in jaarstukken 2023 en gecombineerde opgave 2023-2024.
De beslissing over proceskosten wordt aangehouden en de hoofdzaak wordt voortgezet in de bestaande stand. Het arrest is gewezen door het hof Arnhem-Leeuwarden op 10 december 2024.