Verzoekers, voormalig echtgenoten en onder bewind gestelden, hadden het beschermingsbewind over hun goederen willen opheffen. De kantonrechter wees dit verzoek af op 15 april 2024. Verzoekers gingen in hoger beroep en dienden binnen de wettelijke termijn een inleidend beroepschrift in dat echter niet voldeed aan de eisen van een beroepschrift, omdat het geen gronden bevatte waarop het beroep was gebaseerd.
Pas na het verstrijken van de termijn dienden zij een volledig beroepschrift in met de gronden van het beroep. Het hof oordeelde dat dit niet tijdig was en dat de wettelijke termijn strikt moet worden nageleefd. De advocaat van verzoekers had verondersteld dat het om een bestuursrechtelijke procedure ging, waarbij aanvulling later mogelijk is, maar het hof verwierp dit als onvoldoende reden voor uitzondering.
Daarom verklaarde het hof verzoekers niet-ontvankelijk in het hoger beroep, zodat het beroep niet inhoudelijk kon worden behandeld. De beschikking werd op 12 december 2024 in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.