Eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die haar beroep tegen een bestuurlijke boete van €70,- niet-ontvankelijk heeft verklaard. De boete was opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Breda op grond van artikel 154b van de Gemeentewet.
De gemachtigde van eiseres voerde aan dat het appelverbod buiten toepassing moest worden gelaten omdat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard in plaats van ongegrond. Tevens stelde hij dat er wel degelijk gronden tegen de boetebeschikking waren ingediend en dat de kantonrechter onterecht niet op het verzoek tot vaststelling van een dwangsom had beslist.
Het hof overwoog dat het recht op toegang tot de rechter alleen kan leiden tot het buiten toepassing laten van het appelverbod indien het beroep ziet op schending van dat recht. De klachten van de gemachtigde betroffen echter alleen de juistheid van de beslissing van de kantonrechter en niet het recht op toegang tot de rechter.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het arrest werd gewezen door mr. Beswerda en uitgesproken op een openbare zitting.