Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2015 in Brazilië getrouwd en ouders van een in 2021 geboren minderjarige. Zij emigreerden begin 2023 samen naar Nederland. In maart 2024 diende verzoekster een echtscheidingsverzoek in. Verweerster verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar in Brazilië te bepalen en vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing.
De rechtbank stelde de hoofdverblijfplaats bij verweerster vast en verleende vervangende toestemming voor verhuizing naar Brazilië. Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht om schorsing van deze beschikking. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van Brussel II-ter en dat Nederlands recht van toepassing is volgens het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Het hof overwoog dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard zonder motivering, waardoor het niet aan verzoekster is om nieuwe feiten aan te dragen. Het belang van verweerster en de minderjarige bij het behouden van de huidige situatie weegt zwaarder dan het belang van verzoekster bij schorsing. De situatie van de minderjarige in Brazilië is stabiel en het contact met verzoekster en familie is gewaarborgd.
Hoewel de initiële overbrenging zonder toestemming was, acht het hof het belang van de minderjarige op korte termijn doorslaggevend en wijst het schorsingsverzoek af. De beslissing in de hoofdzaak zal ook de ongeoorloofdheid van de overbrenging meewegen.
Uitkomst: Het hof wijst het schorsingsverzoek af en handhaaft de hoofdverblijfplaats en vervangende toestemming voor verhuizing naar Brazilië.