ECLI:NL:GHARL:2024:7810

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
Wahv 200.344.287/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie voor vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden wegens termijnoverschrijding

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €350 voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Rijksweg A16 in Rotterdam op 19 juli 2022.

De betrokkene ontkende de gedraging, maar het hof vond de ontkenning onvoldoende om aan de juistheid van de gegevens in het dossier te twijfelen. Het hof stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg was overschreden, waardoor het sanctiebedrag met 25% werd gematigd.

Daarnaast oordeelde het hof dat de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet met de factor uit artikel 13a, tweede lid, Wahv (nieuw) wordt verminderd, omdat deze bepaling buiten toepassing wordt gelaten. De advocaat-generaal werd veroordeeld tot het vergoeden van €1.312,50 aan proceskosten.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie, verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en wijzigde de sanctie naar €262,50. Tevens werd bepaald dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Sanctie verlaagd naar €262,50 wegens termijnoverschrijding en proceskostenvergoeding van €1.312,50 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.287/01
CJIB-nummer
: 251118049
Uitspraak d.d.
: 18 december 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 juli 2022 om 20:24 uur op de Rijksweg A16 in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent.
3. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in het dossier. De enkele ontkenning van de gedraging is daarvoor onvoldoende. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
4. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
5. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.312,50 (= 3 x € 875,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 262,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.312,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.