De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over de voorlopige zorgregeling voor hun minderjarige kind, geboren in 2021. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, waarbij het kind bij de moeder woont. De rechtbank Gelderland had op 15 juli 2024 een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij het kind voor de duur van de procedure bij de vader verblijft volgens een specifieke weekindeling.
De vader kwam in hoger beroep tegen de beschikking van 28 maart 2024 en verzocht het hof om de voorlopige zorgregeling te wijzigen, primair met verblijf bij hem en subsidiair met een week-op-week-af regeling. De moeder verzocht het hof de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
Het hof oordeelde dat de voorlopige voorziening van 15 juli 2024 nog van kracht is zolang de rechtbank geen einduitspraak doet in de hoofdzaak. Omdat de vader niet tegen die beschikking in hoger beroep was gegaan of een wijzigingsverzoek had ingediend, was het belang bij wijziging van de voorlopige zorgregeling komen te vervallen. Het hof wees het verzoek van de vader af.
Daarnaast veroordeelde het hof de vader in de proceskosten van het hoger beroep, omdat hij door zijn verzoek bij de rechtbank zelf had bewerkstelligd dat zijn belang bij het hoger beroep was komen te vervallen en de moeder kosten moest maken voor verweer.
De kosten werden vastgesteld op €2.428,- voor advocaatkosten en €349,- griffierecht, welke uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.