Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker, geboren in 1998, is sinds 2017 onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand die hem belemmerde zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. In oktober 2023 verzocht hij om opheffing van het bewind, maar de kantonrechter wees dit verzoek af. Verzoeker ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Tijdens de procedure bleek dat verzoeker niet kon aantonen dat de omstandigheden die tot het bewind leidden zijn verdwenen. Hij overlegde geen medische verklaring die zou bevestigen dat zijn toestand verbeterd is. Bovendien toonde hij weinig inzicht in zijn financiële situatie; hij kon niet verklaren waarom zijn inkomen lager was dan verwacht en gaf geen verantwoording over de besteding van ontvangen schadevergoedingen.
Ook was niet gebleken dat verzoeker zijn woon- of verblijfadres correct had ingeschreven, wat noodzakelijk is voor het aanvragen van een bijstandsuitkering. Gezien deze feiten concludeerde het hof dat verzoeker niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen op verantwoorde wijze waar te nemen.
Daarom zag het hof geen reden om het bewind op te heffen en bekrachtigde het de beschikking van de kantonrechter van 9 februari 2024. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het bewind omdat de noodzaak voor het bewind niet is komen te vervallen.