Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en meerdere taakstraffen voor deelname aan een criminele organisatie die hennepkwekerijen exploiteerde. Na hoger beroep vernietigde het hof het vonnis deels en legde taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf op. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug.
Bij de nieuwe berechting heeft het hof de strafoplegging opnieuw vastgesteld. Verdachte had een belangrijke rol binnen de organisatie, was betrokken bij het kweken van hennep en beheer van betalingen, maar werd niet als leider aangemerkt. Het hof constateerde een schending van de redelijke termijn in zowel hoger beroep als cassatie, wat in de strafoplegging werd meegenomen.
De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 680 uur, subsidiair 340 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof weegt de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang dat verdachte de taakstraf binnen de wettelijke termijn kan voltooien. De verdediging verzocht om matiging, maar het hof wees dit af gezien de ernst van de feiten en het belang van de taakstraf als prikkel tot uitvoering.