ECLI:NL:GHARL:2024:848

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
6 februari 2024
Zaaknummer
200.331.190
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 3 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing verzoek omgangsregeling vader met kinderen wegens zwaarwegende belangen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 6 februari 2024 uitspraak gedaan in hoger beroep over het verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn minderjarige kinderen vast te stellen. De rechtbank Gelderland had dit verzoek eerder afgewezen, en het hof heeft deze beslissing bekrachtigd.

De vader en moeder zijn de ouders van twee kinderen, waarbij de moeder het gezag alleen uitoefent. De omgangsregeling was sinds 2019 ontzegd aan de vader. Het hof overwoog dat de kinderen sinds vijf jaar geen contact hebben met hun vader en dat zij weerstand hebben tegen omgang. De kinderen, waaronder een die een brief aan het hof schreef, gaven aan geen contact te willen vanwege het gevoel dat de vader er nooit voor hen is geweest.

De moeder kan de kinderen niet ondersteunen in het contact met de vader, die weinig reflectie toont op zijn gedrag en de gevolgen daarvan. De raad voor de kinderbescherming adviseerde geen omgangsregeling vast te stellen vanwege de spanning die gedwongen contact zou veroorzaken. Het hof acht het daarom te vroeg om een omgangsregeling vast te stellen en oordeelt dat dit in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

Het hof benadrukt dat de vader actie moet ondernemen om het beeld van hem bij de kinderen positief te beïnvloeden en contactherstel mogelijk te maken, bijvoorbeeld door het sturen van kaartjes met hulp van de gemeente. Tot die tijd blijft de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling omdat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.331.190
(zaaknummer rechtbank Gelderland 410804)
beschikking van 6 februari 2024
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Janse te Apeldoorn.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 januari 2023 en 9 juni 2023, uitgesproken onder zaaknummer 410804. De beschikking van 9 juni 2023 wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met productie, ingekomen op 18 augustus 2023 en
  • het verweerschrift.
2.2
De minderjarige [de minderjarige1] heeft bij brief van 2 oktober 2023 zijn mening over het verzoek aan het hof kenbaar gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 28 december 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de advocaat van de moeder en
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2011, en
  • [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2012.
Over beide kinderen oefent de moeder het gezag alleen uit.
3.2
Bij beschikking van de rechtbank van 4 juni 2014 is een omgangsregeling bepaald, die inhoudt dat de kinderen en de vader eenmaal per drie maanden begeleide omgang met elkaar hebben, waarbij de aanwijzingen van de Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland (inmiddels vervangen door de GI) ten aanzien van de duur, frequentie en plaats alsmede eventuele uitbreiding dienen te worden gevolgd.
3.3
Bij beschikking van 24 oktober 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland de beschikking van 4 juni 2014 gewijzigd en de vader het recht op omgang met de kinderen ontzegd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen staat het recht op omgang van de vader met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ter discussie. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vast te stellen afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met die beslissing en is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoek om een opbouwende omgangsregeling tussen de kinderen en hem vast te stellen alsnog toe te wijzen. Hij verzoekt te bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uiteindelijk eenmaal per twee weken op de zaterdag van 10:00 tot 14:00 uur bij hem verblijven, met een verdere gestage uitbreiding naar een weekendregeling iedere veertien dagen, alsmede feestdagen en vakanties in overleg, althans een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht.
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Op grond van artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder van wie het verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden om een omgangsregeling te doen vaststellen.
5.3
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling moet worden afgewezen omdat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.4
De vader en de kinderen hebben inmiddels vijf jaar lang geen enkel contact met elkaar gehad, en de kinderen hebben geen beeld (meer) van hun vader. Gebleken is dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veel weerstand hebben tegen contact met hun vader. [de minderjarige1] heeft een korte brief aan het hof geschreven waarin staat dat hij niet naar zijn vader toe wil en dat hij het gevoel heeft dat zijn vader er nooit voor hem is geweest. De moeder is (nog steeds) niet in staat om de kinderen in het contact met hun vader te ondersteunen. Daar komt bij dat de vader weinig reflecterend vermogen toont, en heeft getoond, over de invloed van zijn optreden en gedrag op de kinderen.
Het hof heeft in het raadsrapport gelezen dat de vader was geadviseerd hulp of ondersteuning te zoeken. Ook heeft de rechtbank (in de bestreden beschikking) in navolging van het raadsadvies, de vader gelegenheid gegeven om weer vertrouwen bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te winnen door hen een brief of kaartjes te sturen. De vader heeft tijdens de zitting bij het hof verteld dat hij dat – zowel het zoeken van hulp als het schrijven van een brief aan de kinderen – niet heeft gedaan. Hij heeft daarvoor zijn redenen gehad maar het hof ziet dit, net als de raad, als een gemiste kans.
Tijdens de zitting heeft de raad benadrukt dat de afwijzing die de kinderen laten zien, het gevolg is van spanning. Het forceren van omgang met hun vader zal die spanning alleen maar doen toenemen. De raad adviseert daarom geen omgangsregeling vast te stellen.
Het hof is het met de raad eens dat gedwongen contact tussen de vader en de kinderen een negatieve weerslag op de kinderen zal hebben. Het hof is dan ook net als de rechtbank van oordeel dat het voor het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen te vroeg is. De kinderen hebben ernstige bezwaren tegen omgang met hun vader en ook overigens is het hof van oordeel dat het vaststellen van omgang (nu) in strijd is met hun zwaarwegende belangen.
5.5
Zowel in de beschikking van 24 oktober 2019 als in de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de vader actie moet ondernemen om het beeld dat de kinderen van hem hebben, positief te beïnvloeden en de kans op contactherstel in de toekomst te vergroten. De sleutel om tot contactherstel te komen ligt ook naar het oordeel van het hof bij de vader. Zoals hiervoor is overwogen heeft de vader in dat kader (nog steeds) geen enkele actie ondernomen. Tijdens het gesprek op de mondelinge behandeling heeft de vader hardop nagedacht over de vraag wat nodig is om op een voor de kinderen passende wijze tot contactherstel te komen. Uiteindelijk heeft de vader laten weten dat hij zou kunnen beginnen met het sturen van kaartjes waarin hij iets over zichzelf vertelt. Omdat dit voor de vader niet makkelijk is kan hij zich tot de gemeente wenden om hier hulp bij te krijgen. Na een aantal kaartjes te hebben verstuurd, kan de vader vervolgens via het wijkteam informeren hoe de kinderen op de kaartjes hebben gereageerd en bespreken wat een volgende stap kan zijn.
5.6
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 9 juni 2023;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, J.B. de Groot en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 6 februari 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.