Uitspraak
1.[appellant] ,
bij de rechtbank: gedaagden,
[appellant],
1.[geïntimeerde1] ,
bij de rechtbank: eisers,
[geïntimeerde1],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak verzocht geïntimeerde om herstel van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 december 2023. Het verzoek betrof twee punten: ten eerste dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat geïntimeerde onvoldoende had onderbouwd waarom slechts een deel van de Vitensvergoeding verrekend moest worden; ten tweede dat het hof verzuimd zou hebben te beslissen over de vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gederfd woongenot.
Het hof oordeelde dat de onderbouwing van geïntimeerde niet als voldoende kon worden aangemerkt en dat het oordeel over de verrekening van de Vitensvergoeding inhoudelijk was beoordeeld, zodat geen sprake was van een kennelijke fout. Tevens stelde het hof vast dat het verzoek tot vergoeding van gederfd woongenot als een vordering tot immateriële schadevergoeding was geduid en dat het hof hierop wel degelijk had beslist, zodat er geen sprake was van verzuim te beslissen.
Daarmee concludeerde het hof dat het verzoek tot herstel van het arrest niet kon worden toegewezen. De beslissing werd genomen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2024.
Uitkomst: Het verzoek tot herstel van het arrest van 5 december 2023 wordt afgewezen wegens het ontbreken van een kennelijke fout of verzuim te beslissen.