De betrokkene stelde tijdig zekerheid via een batchbetaling aan het CJIB, maar het CJIB stortte een deel van het bedrag terug omdat het niet correct was bestemd. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van tijdige zekerheidstelling.
In hoger beroep voert de betrokkene aan dat de betaling wel tijdig en correct is gedaan, ondersteund door een betaalbewijs en een chatbericht met het CJIB. Het hof stelt vast dat de betaling op 31 mei 2021 is gedaan en dat het CJIB slechts drie boetes per batchbetaling kan verwerken, wat de gedeeltelijke terugstorting verklaart.
Het hof oordeelt dat de betrokkene niet in verzuim is geweest en dat het CJIB voorafgaand aan terugstorting had moeten nagaan waarop de betaling betrekking had. Daarom vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld. De zaak wordt terugverwezen met inachtneming van het arrest.