ECLI:NL:GHARL:2024:94

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 januari 2024
Publicatiedatum
5 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.321.380/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens tijdigheid zekerheidstelling in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde tijdig zekerheid via een batchbetaling aan het CJIB, maar het CJIB stortte een deel van het bedrag terug omdat het niet correct was bestemd. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van tijdige zekerheidstelling.

In hoger beroep voert de betrokkene aan dat de betaling wel tijdig en correct is gedaan, ondersteund door een betaalbewijs en een chatbericht met het CJIB. Het hof stelt vast dat de betaling op 31 mei 2021 is gedaan en dat het CJIB slechts drie boetes per batchbetaling kan verwerken, wat de gedeeltelijke terugstorting verklaart.

Het hof oordeelt dat de betrokkene niet in verzuim is geweest en dat het CJIB voorafgaand aan terugstorting had moeten nagaan waarop de betaling betrekking had. Daarom vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld. De zaak wordt terugverwezen met inachtneming van het arrest.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring wegens tijdige zekerheidstelling en wijst de zaak terug naar de rechtbank; proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.380/01
CJIB-nummer
: 241197192
Uitspraak d.d.
: 5 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 november 2022, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld en er geen aanleiding is te oordelen dat dit verzuim niet aan de betrokkene kan worden toegerekend.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bedrag van de zekerheid al op 31 mei 2021 aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is overgemaakt. De gemachtigde merkt op dat de (batch)betaling ook door het CJIB is ontvangen, maar dat het CJIB deze niet juist heeft bestemd. Ter onderbouwing van deze stelling wordt verwezen naar een chatbericht met een medewerker van het CJIB.
3. In het dossier bevinden zich twee afschriften van brieven van de officier van justitie van 5 februari 2022 en 23 februari 2022 waarin de betrokkene en zijn gemachtigde is medegedeeld dat zekerheid dient te worden gesteld. Gelet hierop diende uiterlijk op 9 maart 2022 zekerheid te zijn gesteld. Op 14 maart 2022 heeft de gemachtigde - in reactie op de tweede zekerheidsbrief - aangegeven dat betaling heeft plaatsgevonden op 31 mei 2021. Ter onderbouwing is een betaalbewijs bijgevoegd.
4.
Het hof stelt vast dat uit het hiervoor genoemde overzicht blijkt dat op 31 mei 2021 een bedrag van € 918,75 is overgemaakt naar het (correcte) rekeningnummer van het CJIB. Het overzicht vermeldt als rekeningnummer [nummer1] . De betrokkene is de tenaamgestelde van deze rekening. Bij de (batch)betaling zijn de volgende gegevens vermeld:
Bron: door de gemachtigde overgelegde ‘Payment specification’
5. Uit het verweerschrift blijkt dat de advocaat-generaal navraag heeft gedaan bij het CJIB. Daaruit volgt dat het CJIB op 2 juni 2021 een bedrag van € 918,75 heeft ontvangen van de betrokkene. Bij die betaling stond het CJIB-nummer 2 4119 7188 (bovenaan) vermeld, zodat daar het openstaande bedrag van € 159,- op is bestemd. Het resterende bedrag, zijnde € 759,75, is op 11 juni 2021 aan de betrokkene teruggestort waarbij is vermeld dat dit bedrag teveel is betaald met betrekking tot het CJIB-nummer 2 4119 7118.
6. Uit het door de gemachtigde ingebrachte (ongedateerde) chatbericht met een medewerker van het CJIB volgt onder meer dat met een batchbetaling slechts drie boetes betaald kunnen worden.
7. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene tijdig zekerheid gesteld. Dat het CJIB het betaalde bedrag (gedeeltelijk) heeft teruggestort, doet daar niet aan af. Het hof heeft eerder overwogen dat van het CJIB wordt verlangd dat voorafgaand aan een terugstorting wordt nagegaan waarop de betreffende betaling betrekking heeft. Zeker nu de betrokkene, in overeenstemming met de aanwijzingen van het CJIB, in één batchbetaling niet meer dan drie boetes heeft betaald en bovendien is betaald vanaf een rekening waarvan de betrokkene de houder is, kan het hof niet volgen waarom (een deel van) het (resterende) bedrag niet op de onderliggende zaak kon worden bestemd. De advocaat-generaal heeft een toelichting gegeven, maar de verklaring dat bij de betaling door de betrokkene slechts het CJIB-nummer 2 4119 7188 is vermeld is niet in overeenstemming met het door de gemachtigde ingebrachte en hierboven (deels) weergegeven betaalbewijs.
8. Gelet op het voorgaande kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank. Uit een door de griffier van het hof opgevraagd recent zaakoverzicht blijkt dat de betrokkene inmiddels op 3 februari 2023 het voor deze zaak door het CJIB teruggestorte bedrag weer heeft overgemaakt naar de rekening van het CJIB.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift en de nadere toelichting (1,5 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.