ECLI:NL:GHARL:2024:956

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
200.333.795/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vader zonder gezag tot omgangsregeling met 17-jarige dochter

De vader, zonder gezag over zijn 17-jarige dochter, verzocht het hof om een opbouwende omgangsregeling vast te stellen. De voorgestelde regeling bestond uit drie fasen met oplopende frequentie en duur van de omgang, inclusief logeerpartijen en extra momenten op feestdagen.

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering was verweerster in hoger beroep. De minderjarige gaf bij brief aan geen contact met haar vader te willen. Het hof hield rekening met deze wens en de eerdere afwijzing van het verzoek door de rechtbank.

Na een mondelinge behandeling op 18 januari 2024, waarbij de vader en een medewerker van de GI verschenen, oordeelde het hof dat het verzoek om omgangsregeling moest worden afgewezen. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 1:377a lid 3 BW, waarin het recht op omgang kan worden ontzegd als dit ernstig nadeel oplevert of het kind ernstige bezwaren heeft geuit.

Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juli 2023 en wees het verzoek van de vader af, mede vanwege het belang en de wensen van de minderjarige die bijna 18 jaar wordt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn 17-jarige dochter af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.795/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 140863)
beschikking van 8 februari 2024
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. F.R.G. Drenth te Baarn,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de pleegouders](de pleegouders),
die wonen op een geheim te houden adres.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2022 en de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 oktober 2022 en 18 juli 2023 (de laatstgenoemde beschikking hierna: de bestreden beschikking), de laatstgenoemde beschikkingen uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 18 oktober 2023;
- een journaalbericht namens de vader van 13 november 2023;
- een brief van de raad van 8 november 2023;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 8 januari 2024 met bijlage(n).
2.2
De hierna nader te noemen [de minderjarige] heeft bij brief van 14 december 2023 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 18 januari 2024 plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI is een medewerker verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en [de moeder] (de moeder) zijn gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2006.
3.2
De GI is bij beschikking van 5 november 2020 benoemd tot voogd over [de minderjarige] .
3.3
[de minderjarige] woont sinds augustus 2020 in het huidige gezinshuis.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader tot het bepalen van een opbouwende omgangsregeling afgewezen. De door de vader verzochte opbouw is als volgt:
- fase 1: omgang van eens in de maand voor de duur van twee uur. Deze omgang kan twee keer plaatsvinden waarna een evaluatie gepland kan worden en kan overgaan worden naar de volgende fase;
- fase 2: omgang van eens in de twee weken voor de duur van vier uur. Tijdens deze fase wordt er meer ruimte gecreëerd voor vader en [de minderjarige] om echte activiteiten. Deze omgang kan twee keer plaatsvinden waarna een evaluatie gepland kan worden en kan overgaan worden naar de volgende fase;
- fase 3: het eerste omgangsmoment eens in de twee weken voor de duur van zes uur en het tweede omgangsmoment eens in de twee weken waarbij [de minderjarige] een nacht bij de vader blijft logeren. [de minderjarige] zal daarnaast met verjaar- en feestdagen een extra omgangsmoment met de vader krijgen. Hierop zal er een evaluatie plaatsvinden om te bepalen hoe het nachtje slapen is gegaan en wat de vervolgstappen kunnen zijn voor het vastleggen van een duurzame regeling dan wel werken aan terugplaatsing van [de minderjarige] .
4.2
De vader komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De grieven zien op de omgangsregeling. De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de omgangsregeling en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de vader alsnog toe te wijzen, dan wel een omgangsregeling te bepalen van eenmaal omgang per vier weken of een ruimere regeling.
4.3
De GI heeft ter zitting het standpunt kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2
Evenals de rechter in eerste aanleg en op dezelfde motivering en gronden als de rechter in de bestreden beschikking heeft opgenomen, die het hof na eigen onderzoek overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader om een (opbouw)omgangsregeling te bepalen, dient te worden afgewezen. Bij dat oordeel neemt het hof in aanmerking dat [de minderjarige] , die [in] 2024 de leeftijd van 18 jaar zal bereiken, in de onder 2.2 genoemde brief te kennen heeft gegeven dat zij geen contact met de vader wil.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. van Dijk en
mr. B.J. Voerman, bijgestaan door mr. S. van der Meer als griffier, en is op 8 februari 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.