Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:990

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.328.413
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.5.27 Regeling voertuigenArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete voor rijden met onvoldoende bandenprofilering

De betrokkene werd bij inleidende beschikking beboet voor het rijden met een voertuig waarvan een band niet voldeed aan de wettelijk gestelde profieldiepte-eisen. De oorspronkelijke feitcode werd gewijzigd van N270E naar N270R, met een sanctie van €150.

De betrokkene ontkende de gedraging en voerde aan dat de overtreding niet tijdens het rijden was geconstateerd, waardoor volgens hem de gedraging niet vaststond. De kantonrechter erkende dat de constatering pas na staandehouding plaatsvond, maar handhaafde de boete met de gewijzigde feitcode.

Het hof oordeelt dat het niet vereist is dat de overtreding tijdens het rijden wordt geconstateerd, omdat de profieldiepte ook voorafgaand aan de staandehouding onvoldoende moet zijn geweest. De verklaring van de ambtenaar wordt als betrouwbaar beschouwd, waardoor het verweer faalt.

Daarnaast was er een geschil over de hoogte van de proceskostenvergoeding. Het hof vernietigt het besluit van de kantonrechter hierover en stelt een hogere vergoeding vast van €1.124,25, gebaseerd op het aantal toe te kennen punten en wegingsfactoren.

Het hof bevestigt de boete, vernietigt het besluit over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot betaling van de hogere proceskostenvergoeding aan de betrokkene.

Uitkomst: Boete voor rijden met onvoldoende bandenprofilering bevestigd, proceskostenvergoeding verhoogd tot €1.124,25.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.413/01
CJIB-nummer
: 244152506
Uitspraak d.d.
: 12 februari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie
- naar het hof verstaat - gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en die beschikking gewijzigd voor wat betreft de feitcode en de omschrijving van de gedraging. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 582,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl een band beschadigd of versleten is (feitcode N270E)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 september 2021 om 10:17 uur in de Havenstraat in Doetinchem met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd in N270r:
“als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl een band niet voldoet aan de eisen t.a.v. de profilering”. Het sanctiebedrag bij deze gedraging is eveneens € 150,-.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De betrokkene ontkent de gedraging. De kantonrechter heeft erkend dat – zelfs na inbreng van het aanvullend proces-verbaal d.d. 9 maart 2023 – uit het dossier niet volgt dat de gedraging rijdend is geconstateerd, maar heeft ten onrechte de inleidende beschikking in stand gelaten.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Bij meting met een daarvoor geschikte bandenprofielmeter zag ik dat het profiel van de hoofdgroeven van de band, rechterband, minder dan de voorgeschreven profieldiepte, zijnde 1,6, bedroeg. De gemeten profieldiepte bedroeg 1,2.
Overtreden artikel: 5.13.27 Regeling voertuigen (RV). (…).
Verklaring betrokkene: Ik wist het niet.”
5. Verder bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2023, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“Door een motorrijder werd het voertuig naar de controleplek gebracht. Het voertuig reed de controleplek op en werd door ons tot stilstand gebracht door een stopteken met de hand. Hierna hield ik samen met een collega een controle aan het voertuig met hier achter een aanhangwagen zonder eigen kenteken. Na een algehele controle constateerde ik dat de profieldiepte niet aan de eisen voldeed. Ik had het profiel gemeten met een profieldieptemeter. Ik, verbalisant, constateerde dat de profieldieptemeter 1,2 millimeter was in plaats van de wettelijk minimaal vastgestelde profieldiepte van 1,6 millimeter. (…). Na het bestuderen van de feitcode N270R, moet ik opmerken dat ik abusievelijk de verkeerde feitcode heb gebruikt en moet het niet N207E zijn, maar N270R.”
6. De onderhavige gedraging, na wijziging van de feitcode door de kantonrechter, betreft het met 1 band overtreden van artikel 5.5.27, vierde lid van de Regeling voertuigen (Rv), dat luidt als volgt: “De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren.”
7. Gelet op voornoemde bepaling is het een bestuurder verboden te rijden met een voertuig waarvan een band niet voldoet aan de gestelde eisen. Anders dan de gemachtigde kennelijk meent is voor de vaststelling van de gedraging niet vereist dat de gedraging tijdens het rijden wordt geconstateerd. De constatering dat de profilering van de band van het voertuig, waarin de betrokkene als bestuurder reed, niet voldeed aan de gestelde eisen is eerst na staandehouding gedaan. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat het niet anders kan zijn dan dat de profilering ook ten tijde van het aan de staandehouding voorafgaande rijden niet voldeed aan de gestelde eisen. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. De aangevoerde grond faalt.
8. Het hoger beroep richt zich verder tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding voor het indienen van een administratief beroepschrift. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter daarvoor ten onrechte slechts € 15,- heeft toegekend.
9. Het hof is onder verwijzing naar het arrest van 30 maart 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:2770) van oordeel dat er geen redenen zijn om de vergoeding voor het indienen van het administratief beroepschrift te matigen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de proceskostenvergoeding daarom vernietigen en zelf een proceskostenvergoeding vaststellen.
10. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en het beroepschrift bij de kantonrechter dienen in totaal 2 punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Nu de gemachtigde in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt voor het procespunt voor het hoger beroep wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.124,25 (1,5 x € 624,- x 0,5) + (1 x € 875,- x 0,5) + (1 x € 875,- x 0,25)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de toegekende proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.124,25.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.