ECLI:NL:GHARL:2025:1003

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.337.953/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.18.12 RvArt. 5.18.21a RvArt. 5.7.6 RvArt. 5.7a.6 RvArt. 5.8.6 Rv
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging feitcode belemmering zicht achterlichten door verwisselbaar uitrustingsstuk landbouwtrekker

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor het belemmeren van het zicht op de achterlichten door lading op een voertuig. De betrokkene stelde dat het zicht niet door lading, maar door een verwisselbaar uitrustingsstuk werd belemmerd, wat een andere feitcode vereist.

Het hof oordeelde dat de feitcode P121G niet juist was omdat het zicht niet door lading werd belemmerd, maar door een verwisselbaar uitrustingsstuk aan een landbouwtrekker. De juiste feitcode is P211E, die betrekking heeft op landbouwtrekkers en de belemmering van zicht door verwisselbare uitrustingsstukken.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, wijzigde de feitcode en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten. Het hof verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding. De betrokkene had verklaard dat hij niet had gelet op de belemmering door de zaaimachine die aan de trekker was bevestigd.

Uitkomst: De feitcode werd gewijzigd naar P211E en de betrokkene kreeg proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.337.953/01
CJIB-nummer
: 248500410
Uitspraak d.d.
: 24 februari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 19 december 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “P121G - zicht op verlichting, retroreflector, richtingaanwijzer, kentekenplaat belemmerd door uits. lading achterzijde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 maart 2022 om 16.25 uur op de Burg. Wiersumstraat in Eenrum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de feitcode moet worden gewijzigd naar P124E, omdat het zicht op de achterlichten wordt belemmerd door een verwisselbaar uitrustingsstuk en niet door lading.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de landbouwtrekker aan de achterzijde was voorzien van een verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk. Ik zag dat het uitrustingsstuk het zicht op de achterlichtunits van de landbouwtrekker belemmerde. Hierdoor was de normale verlichting, de richtingaanwijzers en de remlichten niet zichtbaar voor het achterop komende verkeer. (…)
Aan de betrokkene is de cautie verleend (,,,)
Verklaring betrokkene: Ik ben mede-eigenaar van de onderneming [naam1] in [woonplaats] en rijd met deze trekker met zaaimachine verderop naar een stukje land om te zaaien. Ik heb er niet op gelet dat de zaaimachine het zicht op de verlichting belemmerde.”
4. Verder bevinden zich foto’s van de gedraging in het dossier, waarop een landbouwtrekker met daarachter een uitrustingsstuk te zien is.
5. De onderhavige gedraging met feitcode P121G betreft een overtreding van artikel 5.18.12, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling voertuigen (Rv). Hierin is bepaald:
“Bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen:
(…)
e. mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd.”
6. Gelet op de verklaring en foto’s in het dossier is hier geen sprake van lading die het zicht belemmert. In zoverre slaagt de grond van de gemachtigde. De door de gemachtigde voorgestelde feitcode is echter niet van toepassing omdat die niet ziet op landbouwtrekkers.
7.
In dit geval is sprake van overtreding van artikel 5.18.21a, eerste lid aanhef en onder c, van de Rv:
“ De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, waarbij:
(…)
c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd.”
De bij deze overtreding horende feitcode is P211E. Het sanctiebedrag voor deze feitcode bedraagt eveneens € 150,-.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter en, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en de inleidende beschikking wijzigen in zoverre dat de feitcode wordt gewijzigd.
9.
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.392,25 (= (1,5 x € 647,- x 0,5) + (2 x € 907,- x 0,5)).
10. De gemachtigde voert verder - kort samengevat - aan dat de in artikel 13a, vijfde lid (het hof begrijpt: derde en vierde lid), van de Wahv neergelegde maatregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dan wel het discriminatieverbod in de zin van artikel 14 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Er is geen onderbouwing gegeven voor de maatregel de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken naar de betrokkene en het verbod tot cessie. De maatregel is daarmee niet voorzien van de noodzakelijke en redelijke rechtvaardiging en daarom in zoverre onverbindend, aldus de gemachtigde.
11. De door de gemachtigde aangevoerde grond ten aanzien van artikel 13a, derde en vierde lid, van de Wahv komt overeen met de grond die de gemachtigde heeft aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het hof van 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051. Het hof heeft zich in dat arrest onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding. Onder verwijzing naar dat arrest zal het hof zich in casu eveneens onbevoegd verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in “P211E – als bestuurder van een (motor)voertuig of samenstel van (motor)voertuigen rijden terwijl bij het voertuig dat is voorzien van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers aan de achterzijde door een verwisselbaar uitrustingsstuk wordt belemmerd”;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.392,25;
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.