Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond een geschil over de zorgregeling van een minderjarige zoon centraal tussen de moeder en de vader. De moeder had in eerste aanleg een verzoek ingediend, dat door de rechtbank Overijssel was behandeld. In hoger beroep had zij haar verzoek voortgezet.
Tijdens de procedure in hoger beroep vond bemiddeling plaats door de raad voor de kinderbescherming, waarbij een schoolmaatschappelijk werker werd ingeschakeld. Door deze bemiddeling kwam er een regeling tot stand waarbij de moeder inmiddels contact had met haar kinderen via video.
Naar aanleiding hiervan besloot de moeder haar verzoek in hoger beroep in te trekken, omdat de zoon zelf had aangegeven dit te willen. Het hof concludeerde hieruit dat de moeder de gronden van haar hoger beroep niet meer handhaafde en verklaarde haar daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.
De beschikking werd op 25 februari 2025 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep wegens intrekking van het verzoek na bemiddeling.