De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken wegens overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd, behalve de straf, die werd verhoogd tot 6 weken waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het hof hield rekening met de ernst van het feit dat de verdachte op 16 juli 2021 reed terwijl zijn rijbewijs kort daarvoor was ingevorderd. Daarnaast speelde het recalcitrante gedrag tegenover verbalisanten een rol. De eerdere veroordelingen van de verdachte, zowel in Nederland als in Tsjechië, werden zwaar meegewogen.
Hoewel de verdediging pleitte voor een lichtere straf vanwege de gezinssituatie van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, vond het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend maar leidde niet tot strafvermindering.