ECLI:NL:GHARL:2025:1146

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
Wahv 200.347.085/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige kaart

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart. De betrokkene voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van parkeren, maar van laden en lossen, en dat de bestuurder ten onrechte niet was staandegehouden.

Het hof oordeelt dat de ambtenaar de bestuurder niet kon staande houden voordat de sanctie werd opgelegd, en dat de sanctie daarom terecht aan de kentekenhouder is opgelegd. Uit de waarnemingen blijkt dat gedurende tien minuten geen laad- en losactiviteiten plaatsvonden, ondanks dat de achterklep openstond.

Volgens het reglement is parkeren het laten stilstaan van een voertuig anders dan voor onmiddellijk laden en lossen. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er daadwerkelijk werd geladen of gelost, is de sanctie terecht opgelegd. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €350 voor parkeren zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.347.085/01
CJIB-nummer
: 259803832
Uitspraak d.d.
: 27 februari 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2024, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 juni 2023 om 8:29 uur op de Dakotaweg in Capelle aan den IJssel met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de bestuurder ten onrechte niet is staandegehouden. De ambtenaar verklaart dat de bestuurder aan kwam lopen, de deur van het voertuig opendeed en wegreed, maar dit kan de bestuurder niet volgen. De bestuurder moet namelijk eerst de achterklep dicht hebben geslagen voordat hij kon wegrijden. Het is niet te bevatten dat al deze handelingen zijn verricht voordat de ambtenaar de bestuurder heeft kunnen aanspreken om een staandehouding te verrichten. Wanneer de ambtenaar niet overgaat tot staandehouding, is het voor de bestuurder ook niet duidelijk dat hij moet wachten. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat geen sprake was van parkeren, maar van laden en lossen. De openstaande achterklep van het voertuig had voor de ambtenaar een indicatie moeten zijn dat de betrokkene bezig was met laden en lossen. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de bestuurder binnen afzienbare tijd terug was bij het voertuig.
3. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat het betreffende voertuig geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats. Ik zag dat bord E6 hier van toepassing was en ik zag dat er op het betreffende parkeervak een groot wit kruis was aangebracht. Ik zag dat het betreffende voertuig niet was voorzien van een gehandicaptenparkeerkaart. Door mij, verbalisant, is een waarnemingstijd van ongeveer tien minuten in acht genomen. Gedurende deze tijd heb ik, verbalisant, geen laad- en losactiviteiten waargenomen. Ik, verbalisant, had ten tijde van de controle geen staandehouding kunnen uitvoeren. Bij het afronden van de bekeuring kwam de betrokkene, eigenaar of houder aangelopen. Ik, verbalisant, zag dat deze man de deur opende van het betreffende voertuig, deze meteen dichtdeed en wegreed.”
5. Het dossier bevat daarnaast een aantal foto’s van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien. Het voertuig staat deels stil in een parkeervak met een wit kruis. Bij dit parkeervak staat een bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats). De achterklep van het voertuig staat open.
6. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
7. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een situatie waarin de ambtenaar – voordat hij alle gegevens die voor het vaststellen van de gedraging met het oog op het opleggen van de sanctie benodigd zijn digitaal heeft vastgelegd – is geconfronteerd met de bestuurder van het voertuig. Het hof begrijpt de verklaring van de ambtenaar zo dat de bestuurder pas kwam aanlopen na het opleggen van de sanctie. Daarmee staat voldoende vast dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De sanctie is terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
8. In artikel 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is ‘parkeren’ gedefinieerd als het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Voor de vaststelling of sprake is van laden en lossen, is bepalend of goederen van enige omvang of enig gewicht onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring worden uit- of ingeladen gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het ligt op de weg van (de gemachtigde van) de betrokkene om aannemelijk te maken dat van laden of lossen – als uitzondering op parkeren – sprake is.
9. De ambtenaar heeft verklaard dat gedurende ongeveer tien minuten geen activiteit bij het voertuig plaatsvond. Daarmee staat vast dat geen sprake was van het onmiddellijk en bij voortduring laden en lossen. Dat de achterklep openstond, doet hier niet aan af. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.