Art. 14 RVV 1990Art. 23 lid 1 aanhef en onder a RVV 1990Art. 24 lid 1 aanhef en onder a RVV 1990Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 13a lid 2 Wahv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie voor blokkeren kruispunt volgens artikel 14 RVV 1990
De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd wegens het blokkeren van een kruispunt op 19 september 2022 met een voertuig geparkeerd op de Van Speykstraat in Rotterdam. De betrokkene en zijn gemachtigde stelden dat er geen sprake was van blokkeren in de zin van artikel 14 RVVPro 1990, omdat het voertuig geparkeerd stond en het verkeer ruim om het voertuig kon rijden.
De kantonrechter stelde vast dat sprake was van hinderlijk parkeren, maar dat is een andere gedraging met een lager sanctiebedrag. Het hof oordeelt dat artikel 14 RVVPro 1990 ziet op het oprijden van kruispunten en niet op parkeren, waarvoor andere artikelen gelden (artikel 23 enPro 24 RVV 1990). De gedraging die hoort bij de feitcode R331 kan daarom niet worden vastgesteld.
De advocaat-generaal stelde wijziging van de feitcode voor naar een andere overtreding met een lager sanctiebedrag, maar het hof volgt dit niet omdat specifieke regels voor parkeren op kruispunten van toepassing zijn. Het hof vernietigt de beschikking en de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.230,50.
De betrokkene krijgt zijn zekerheid terugbetaald en het hof laat de sanctie voor blokkeren van het kruispunt vervallen. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris en uitgesproken op een openbare zitting.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de sanctie voor blokkeren kruispunt en verklaart het beroep gegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.911/01
CJIB-nummer
: 252499580
Uitspraak d.d.
: 3 maart 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “R331 – een kruispunt blokkeren”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 september 2022 om 20.37 uur op de Van Speykstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. De betrokkene stelt dat alleen sprake kan zijn van een blokkade van het kruispunt als dat wordt opgereden terwijl er al ander verkeer aanwezig is, waardoor doorrijden onmogelijk is. Daar was hier geen sprake van. De kantonrechter heeft enkel vastgesteld dat sprake is van hinderlijk parkeren en daarmee de gedraging vastgesteld. De betrokkene kan dit niet volgen, omdat hinderlijk parkeren een andere gedraging is waarvoor een lager sanctiebedrag geldt. Bovendien kon het verkeer ruim om het voertuig heen. Dat is onderbouwd met een afbeelding afkomstig van Google Maps, waarop de plek van het voertuig op het kruispunt is getekend.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 14 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat luidt: “Bestuurders mogen een kruispunt niet blokkeren.”
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat betrokken voertuig de kruising blokkeerde.” Dit heeft de ambtenaar herhaald in een aanvullend proces-verbaal van 11 januari 2023.
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 29 juli 2024, waarin de ambtenaar onder meer verklaart: “Ik zag dat doordat het voertuig geparkeerd stond op de kruising voertuigen niet de Nieuwe Binnenweg op konden rijden. Op deze wijze werd het verkeer gehinderd. Ook moesten voetgangers om het voertuig heen lopen op de kruising wat zorgde voor gevaarlijke situaties.”
6. De grond van de gemachtigde slaagt. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op de kruising. Hoewel dat ook het blokkeren van een kruispunt genoemd kan worden, betreft dat niet het blokkeren van een kruispunt in de zin van artikel 14 vanPro het RVV 1990. Dit artikel is immers opgenomen in paragraaf 4, dat ziet op het oprijden van kruispunten, terwijl in paragraaf 9 en 10 regels zijn gegeven voor het laten stilstaan en parkeren van voertuigen bij of op een kruispunt, namelijk artikel 23, eerste lid aanhef en onder a, van het RVV 1990 en artikel 24, eerste lid aanhef en onder a, van het RVV 1990. De gedraging die hoort bij feitcode R331 kan dan ook niet worden vastgesteld.
7. De advocaat-generaal heeft voorgesteld om de feitcode en de omschrijving van de gedraging te wijzigen naar “R395 – een voertuig op een zodanige wijze laten staan waar op de weg gevaar wordt/kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Bij die gedraging hoort een lager sanctiebedrag. Daarbij is het standpunt ingenomen dat de betrokkene niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
8. Het hof zal het voorstel van de advocaat-generaal niet volgen. De gedraging die hoort bij feitcode R395 betreft een overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt weliswaar dat sprake was van hinder en gevaar, maar aangezien de regelgever specifieke regels heeft gegeven ten aanzien van stilstaande en geparkeerde voertuigen op kruispunten, ligt het naar het oordeel van het hof meer voor de hand om in dit geval een sanctie op te leggen voor een gedraging met een feitcode behorend bij de artikelen genoemd in de laatste zin onder 6, in plaats van een feitcode behorend bij een algemene hinderbepaling. Wijziging van de feitcode naar nog weer een andere code acht het hof in dit stadium van de procedure echter niet aan de orde. Daar weegt het hof in mee dat de gedraging inmiddels meer dan twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en namens de betrokkene bij de kantonrechter al was aangevoerd dat geen sprake was van het blokkeren van een kruispunt in de zin van artikel 14 vanPro het RVV 1990, hetgeen door de ambtenaar bevestigd is in een proces-verbaal 29 juli 2024, derhalve één dag voorafgaand aan de zitting van de kantonrechter. Het hof zal de inleidende beschikking vernietigen.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 647,- en voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.230,50 (= (1 x € 647,- x 0,5) + (2 x € 907,- x 0,5)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.230,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.