De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind, geboren in 2014. De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis of pleeggezin verlengd tot 31 mei 2025. De moeder verzocht vernietiging of beperking van deze verlenging.
Het hof heeft vastgesteld dat terugplaatsing bij de moeder niet in het belang van het kind is. De ondertoezichtstelling en eerdere machtigingen zijn bekrachtigd. De GI heeft toegelicht dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis noodzakelijk is, terwijl de machtiging voor een pleeggezin niet is bedoeld om te worden verlengd.
De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen de wijze van uithuisplaatsing en de voorwaarden die zij moet vervullen voor mogelijke thuisplaatsing. Het hof oordeelt dat ondanks het ingrijpende karakter van de uithuisplaatsing, de belangen van het kind prevaleren. De moeder voldoet niet aan de gestelde voorwaarden en is niet bereid hulpverlening te accepteren. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis verlengd, maar niet in een pleeggezin.