ECLI:NL:GHARL:2025:1695

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
25 maart 2025
Zaaknummer
Wahv 200.345.152/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 3 WahvArt. 24 RVV 1990Art. 1 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor parkeren op voor het openbaar verkeer openstaande weg ondanks betwisting feitcode en vertrouwensbeginsel

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €150 voor het parkeren op een wijze die gevaar of hinder voor het verkeer veroorzaakte op een locatie die feitelijk voor het openbaar verkeer openstond, ondanks dat het een particulier terrein betrof.

De betrokkene voerde aan dat een specifieke feitcode voor parkeren voor een in- of uitrit van toepassing was en dat sprake was van privéterrein. Tevens werd een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel omdat een ambtenaar eerst een waarschuwing zou hebben toegezegd.

Het hof oordeelde dat de locatie als een voor het openbaar verkeer openstaande weg moet worden aangemerkt, waardoor de algemene feitcode van toepassing is. De voorgestelde feitcode voor parkeren voor een in- of uitrit was niet van toepassing omdat het voertuig niet op een in- of uitrit stond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat onvoldoende feiten waren gesteld en de officier van justitie niet verplicht was navraag te doen.

Verder was het niet vereist dat ambtenaren de bestuurder actief zouden zoeken voordat de sanctie werd opgelegd. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €150 en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.152/01
CJIB-nummer
: 253468719
Uitspraak d.d.
: 25 maart 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “R395 - voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2022 om 12.07 uur op de Marie Heinenweg thv perceel 3 in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene erbij blijft dat er een specifieke feitcode van toepassing is waarin hinder is verdisconteerd. Het is dus geen discretionaire bevoegdheid voor de ambtenaar om hier een algemene feitcode toe te passen. Los daarvan persisteert de betrokkene bij het punt dat wel degelijk sprake is van een privéterrein en niet de openbare weg. Daarnaast valt het op dat ondanks dat is aangevoerd dat de vrouwelijke ambtenaar heeft aangegeven dat het bij een waarschuwing zou blijven dit niet meer is nagegaan door de officier van justitie. Enkel is gevraagd of er sprake is van openbare weg. Er waren twee ambtenaren, maar het aanvullend proces-verbaal is opgemaakt door slechts één van de twee. Daarnaast is het proces-verbaal ondertekend door de mentor maar niet door ambtenaar C. Donkers zelf. Op de foto’s van de gedraging zijn zelfs mensen te zien die achter het raam staan. Als het hof al oordeelt dat er geen gesprek heeft plaatsgevonden met de bestuurder, waarom zijn de ambtenaren dan niet simpelweg even naar de mensen toegelopen om te vragen of deze persoon zijn auto wil verzetten.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. Voor zover de gemachtigde aanvoert dat niet van de gegevens kan worden uitgegaan omdat het aanvullend proces-verbaal is opgemaakt door één ambtenaar en het brondocument is ondertekend door één van de twee ambtenaren, kan deze grond niet slagen. Geen rechtsregel verplicht tot het opstellen van een aanvullend proces-verbaal door beide ambtenaren. Daarnaast blijkt uit een vermelding in het brondocument dat ambtenaar C. Donkers tijdelijk afwezig is, waardoor diens handtekening ontbreekt.
5. De gegevens waarop de ambtenaren zich bij de oplegging van de sanctie hebben gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag toen dat daar een voertuig op een zodanige wijze geparkeerd stond waardoor op de openbare weg hinder werd veroorzaakt. Strafbaar gesteld in artikel 5 WVW Pro 1994. Ik zag naar aanleiding van een melding vanuit het politiebureau Zuiderpark namelijk dat een personenauto geparkeerd stond op de openbare weg. Ik zag dat het voertuig voor andere voertuigen geparkeerd stond. Ik zag dat hierdoor het overige verkeer op de openbare weg het privéparkeerterrein niet in of uit kon. Ik zag dat er niemand in of uit het voertuig stapte. Ik zag dat er gedurende 10 minuten geen laad en/of losactiviteiten actief waren. Dit is in strijd met artikel 5 WVW Pro 1994.
Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg.”
6. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar verklaart dat het voertuig op de openbare weg stond.
7. Verder bevat het dossier foto’s van de gedraging. Hierop is het onder 1 genoemde voertuig te zien dat staat geparkeerd tussen een heg die aan de ene zijde parallel loopt aan het voertuig en aan de andere kant een heg die haaks staat op het voertuig, ongeveer halverwege het voertuig. Achter het voertuig en de heg zijn andere geparkeerde voertuigen te zien. Het lijkt er op dat het voertuig geparkeerd staat op de in- en uitgang van een parkeerterrein.
8. Voor de beantwoording van de vraag of een (particulier) terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet worden aangemerkt, is beslissend of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat. Daarvoor zijn van belang de feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van het terrein (vgl. HR 8 april 1997, VR 1998, 2).
9. Het hof stelt vast dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. De toegang tot het betreffende terrein is niet belemmerd. Daaraan doet niet af dat het een particulier parkeerterrein betreft. Het hof is van oordeel dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden.
10. De door de gemachtigde voorgestelde feitcode is R397B: “parkeren voor een in- en/of uitrit”. Dat betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Op grond van dit artikel mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.
11. Naar oordeel van het hof is deze feitcode hier niet van toepassing. Het voertuig van de betrokkene stond niet
vooreen in- of uitrit, maar
opeen in- of uitrit. Artikel 24, eerste lid aanhef en onder b, van het RVV 1990 verbiedt niet het parkeren op een in- of uitrit (vgl. het arrest van het hof van 20 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1648).
12. Gelet op het voorgaande en aangezien verder niet wordt betwist dat het voertuig op de betreffende plek stond geparkeerd, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal vervolgens beoordelen of er redenen zijn de sanctie achterwege te laten of te matigen.
13. De betrokkene heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, erop neerkomende dat zij erop mocht vertrouwen dat haar voor de onderhavige gedraging geen sanctie zou worden opgelegd. Het is aan de betrokkene om de feiten die zij aan dit beroep ten grondslag legt aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. De enkele stelling van de betrokkene dat de vrouwelijke ambtenaar eerst heeft gezegd dat het bij een waarschuwing zou blijven, is hiervoor onvoldoende. Naar het oordeel van het hof was de officier van justitie in dit geval ook niet gehouden om hieromtrent navraag te doen bij de ambtenaren, nu uit het dossier op geen enkele wijze blijkt dat de ambtenaren met de betrokkene hebben gesproken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt dan ook verworpen.
14. Dat de ambtenaren ook even naar mensen verderop hadden kunnen lopen met het verzoek het voertuig te verplaatsen, is evenmin een reden om de sanctie achterwege te laten of te matigen. In dit geval blijkt uit de verklaring van de ambtenaren dat ze tien minuten geen activiteiten rondom het voertuig hebben gezien. Van ambtenaren wordt niet gevergd dat zij in de omgeving van het geparkeerde voertuig op zoek gaan naar de bestuurder. Ook hoeven zij niet de gelegenheid te bieden, of een poging doen om die gelegenheid te bieden, om het voertuig te verplaatsen voordat ze overgaan tot het opleggen van een sanctie.
15. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.