ECLI:NL:GHARL:2025:1814

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
200.345.344
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging hoofdverblijfplaats bij moeder en wijziging vakantieregeling in zorgregeling

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland inzake de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van vier minderjarige kinderen. De vader verzocht om het hoofdverblijf bij hem vast te stellen en een andere zorgregeling, terwijl de moeder de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank vorderde.

Het hof bevestigde dat het in het belang van de kinderen is dat de hoofdverblijfplaats van de drie oudste kinderen bij de moeder blijft, omdat zij daar al het grootste deel van de tijd verblijven en de situatie stabiel is. Ook werd de vervangende toestemming voor verhuizing naar een andere woonplaats door de moeder bekrachtigd vanwege continuïteit en stabiliteit voor de kinderen.

De reguliere zorgregeling bleef ongewijzigd, maar de vakantieregeling werd aangepast. De kinderen verblijven in de voorjaars- en herfstvakantie bij de vader, terwijl de overige vakanties grotendeels conform de rechtbankregeling werden verdeeld. Het hof bepaalde dat de vader verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de kinderen, gezien zijn beschikking over een auto en rijbewijs en de financiële situatie van de moeder.

De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke ouder zijn eigen kosten draagt. Het beroep van de vader werd voor het overige afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de moeder en wijzigt de vakantieregeling waarbij de vader de kinderen in de voorjaars- en herfstvakantie ontvangt en verantwoordelijk is voor het halen en brengen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.344
(zaaknummer rechtbank Gelderland 431076)
beschikking van 27 maart 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Kandemir,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K.W.A. Wools.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2024, uitgesproken onder zaaknummer 431076 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 27 augustus 2024;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht namens de moeder van 12 februari 2025 met een productie.
2.2
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben aan het hof kenbaar gemaakt niet op gesprek te willen komen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 27 februari 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de vader en zijn advocaat;
  • de moeder en haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [de minderjarige1] ( [de minderjarige1] ), geboren [in] 2012;
  • [de minderjarige2] ( [de minderjarige2] ), geboren [in] 2015;
  • [de minderjarige3] ( [de minderjarige3] ), geboren [in] 2017;
  • [de minderjarige4] ( [de minderjarige4] ), geboren [in] 2023,
verder samen ook te noemen: de kinderen.
Sinds de bestreden beschikking hebben de vader en de moeder samen het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De vader en de moeder hebben samen het gezag over [de minderjarige4] sinds haar geboorte.
3.2
Bij vonnis in kort geding van 29 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, bepaald dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] aan de vader worden toevertrouwd en [de minderjarige4] aan de moeder, totdat de rechtbank in de bodemprocedure anders heeft beslist of tot het moment dat de ouders iets anders overeenkomen. Verder heeft de voorzieningenrechter een voorlopige zorgregeling vastgesteld:
  • waarbij [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de moeder verblijven ieder weekend vanaf vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur (na het eten), waarbij de vader [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] haalt en brengt;
  • waarbij [de minderjarige4] bij de vader verblijft iedere donderdagochtend tot vrijdagmiddag (na de schooltijd van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ), waarbij de vader [de minderjarige4] haalt en brengt.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
  • bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;
  • als zorgregeling vastgesteld:
 tot de moeder passende eigen woonruimte heeft gevonden, maar minimaal geldend tot
en met het einde van het schooljaar, dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ieder weekend vanaf vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur (na het eten) bij de moeder verblijven en de rest van de tijd bij de vader, dat [de minderjarige4] iedere donderdagochtend tot vrijdagmiddag (na de schooltijd van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ) bij de vader is en de rest van de tijd bij de moeder, waarbij de vader de kinderen bij de moeder ophaalt en terugbrengt;
  • vanaf het moment dat de moeder passende eigen woonruimte heeft gevonden, maar niet eerder dan vanaf het einde van het schooljaar, dat de kinderen iedere woensdagmiddag na school tot 19.00 uur (na het eten) en één weekend in de veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader zijn en de rest van de tijd bij de moeder, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt;
  • dat de kinderen de eerste helft van alle vakanties met uitzondering van de zomervakantie bij de moeder verblijven en de tweede helft van de vakantie bij de vader;
  • dat de kinderen in de zomervakantie in de jaren 2024 tot en met 2026 de eerste
week bij de vader verblijven, daarna twee weken bij de moeder, daarna twee weken bij de vader en dan weer een week bij de moeder; en dat vanaf 2027 de kinderen de eerste drie aaneengesloten weken bij de moeder zullen zijn en daarna drie aaneengesloten weken bij de vader;
- de moeder vervangende toestemming gegeven om met de kinderen te verhuizen naar
[woonplaats2] , [plaats1] of een andere gemeente vallend binnen het werkgebied van
samenwerkingsverband [naam1] die dichter bij [woonplaats1] is gelegen.
4.2
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar initiële verzoeken, althans haar initiële verzoeken af te wijzen en primair het hoofdverblijf van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij hem vast te stellen en subsidiair een zorgregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen waarbij de kinderen bij hem verblijven:
  • ieder weekend van vrijdag na school tot zondag 19.30 uur;
  • de helft van alle (school)vakanties;
  • het halen en het brengen wordt gedeeld in die zin dat de moeder de kinderen bij hem brengt en hij de kinderen bij (het hof leest:) de moeder terugbrengt, of andersom,
  • althans in goede justitie een regeling vast te stellen.
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof om het beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen en om de bestreden beschikking, al dan niet onder verbetering van de gronden, te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder van de ouders omvatten van de zorg- en opvoedingstaken, de beslissing bij welke ouder kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben en de beslissing over een verhuizing van de verzorgende ouder en de kinderen.
de hoofdverblijfplaats
5.2
Het hof is - anders dan de vader - met de rechtbank van oordeel dat het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bij de moeder het meest in hun belang is. Het hof zal de bestreden beschikking op dat punt dan ook bekrachtigen. Het hof neemt de
motivering van de rechtbank na eigen onderzoek over en voegt daar het volgende aan toe.
5.3
Zoals door de raad op de mondelinge behandeling is bevestigd, zijn beide ouders in staat om voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te zorgen. Op basis van de bij de bestreden beschikking vastgestelde definitieve zorgregeling zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (ingegaan na de zomervakantie 2024) drie nachten per veertien dagen bij de vader en elf nachten bij de moeder. Dat betekent dat in de praktijk [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] meer bij de moeder dan bij de vader zijn. Het hof zal deze reguliere zorgregeling in stand laten (zie hierna onder rechtsoverweging 5.6). Niet is gebleken dat het met deze drie kinderen bij de moeder niet goed gaat en het is in het belang van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] dat de juridische situatie zo veel mogelijk in overeenstemming is met de feitelijke situatie. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] blijft daarom bij de moeder.
de vervangende toestemming verhuizing
5.4
Het hof merkt op dat de vader een summiere toelichting heeft gegeven op door hem geformuleerde grief tegen de beslissing van de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen aan de moeder om te verhuizen met de kinderen. Wat daar ook van zij, het hof ziet geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. De kinderen wonen sinds medio december 2023 (deels) in [woonplaats2] en de oudste drie kinderen zijn daar na de zomervakantie 2024 gestart op een basisschool. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij met de moeder in [woonplaats2] blijven wonen: dat geeft stabiliteit en continuïteit in hun leven.
de zorgregeling
5.5
Het hof ziet geen aanleiding om de reguliere zorgregeling tussen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] en de vader te wijzigen, maar wel om de vakantieregeling te wijzigen. Daartoe overweegt het hof als volgt.
5.6
Het hof volgt het advies dat de raad het hof op de mondelinge behandeling heeft gegeven. Dat advies houdt in dat hoewel het goed is dat de kinderen en zeker [de minderjarige4] de vader vaak zien, een ruimere reguliere zorgregeling niet in het belang van de kinderen is. Vooral de oudste twee kinderen hebben ruimte nodig om in [woonplaats2] in de weekenden hun sociale activiteiten en sport te hebben. Verder is het hof van oordeel dat naast de sociale activiteiten en sport een weekend ook bedoeld is om vrije tijd door te brengen met ouders en als de kinderen elk (of bijna elk) weekend bij de vader verblijven, hebben de kinderen en de moeder deze mogelijkheid niet. Het voorstel van de raad om de woensdag te verlengen met een overnachting is door de ouders op de mondelinge behandeling afgewezen, omdat zij dit allebei niet in het belang van de kinderen vinden. Het hof begrijpt dit standpunt van de ouders. Anders dan de vader is het hof van oordeel dat het wel in het belang van de kinderen is om in overeenstemming met de huidige regeling iedere woensdagmiddag na school tot 19.00 uur (na het eten) bij de vader te verblijven. Zoals door de raad op de mondelinge behandeling is benadrukt, is het gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige4] voor haar heel belangrijk dat zij de vader elke week ziet, zodat zij een goede band met de vader kan opbouwen. Maar ook voor het behoud van de goede band tussen de andere kinderen en de vader vindt het hof het belangrijk dat ook zij de vader elke week zien.
Verder is het hof van oordeel dat het redelijk is dat de vader wordt gecompenseerd voor het feit dat hij de kinderen minder ziet dan de moeder en een doordeweekse verruiming van de zorgregeling gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders niet mogelijk is. Het hof zal dan ook in overeenstemming met het voorstel van de raad beslissen dat de kinderen in de voorjaars- en herfstvakantie bij de vader verblijven. De overige vakanties blijven verdeeld op de wijze zoals de rechtbank dat heeft bepaald.
5.7
Ten aanzien van het halen en brengen van de kinderen stelt het hof voorop dat dit in principe een gedeelde verantwoordelijkheid is van de ouders. In dit geval acht het hof het echter in het belang van de kinderen dat de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt. De vader heeft een rijbewijs en een auto en de moeder heeft dat niet. Gelet op de omstandigheid dat de moeder leeft van een participatiewetuitkering kan van haar niet worden verwacht dat zij op korte termijn rijlessen gaat volgen en een auto gaat aanschaffen. Ook is het hof van oordeel dat van de moeder niet kan worden verwacht dat zij in de frequentie die de zorgregeling met zich brengt met vier kinderen en hun spullen met het openbaar vervoer naar de vader reist.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8
De vader heeft nog een grief geformuleerd tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad. De vader heeft geen toelichting gegeven op deze grief en ook geen daarbij behorend verzoek geformuleerd. Gelet daarop en omdat het hof bij deze beschikking uitspraak doet in de hoofdzaak heeft de vader geen belang bij bespreking van deze grief.

6.De slotsom

6.1
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de beslissing over de verdeling van de vakanties betreft, beslissen als hierna onder 8. vermeld en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, wat betekent dat beide ouders hun eigen kosten betalen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2024 wat betreft de beslissing over de verdeling van de vakanties en, in zoverre, opnieuw beschikkende:
stelt als regeling voor de verdeling van de vakanties vast dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] :
  • de voorjaars- en herfstvakantie bij de vader verblijven;
  • de eerste helft van de overige vakanties met uitzondering van de zomervakantie bij de moeder verblijven en de tweede helft van de vakantie bij de vader;
- in de zomervakantie in de jaren 2025 en 2026 de eerste week bij de vader verblijven, daarna twee weken bij de moeder, daarna twee weken bij de vader en dan weer een week bij de moeder; vanaf 2027 verblijven de kinderen de eerste drie aaneengesloten weken bij de moeder en daarna drie aaneengesloten weken bij de vader;
- waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen);
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, H. Phaff en M.H.H.A. Moes en is op 27 maart 2025 uitgesproken door mr. H. Phaff in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.