Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland inzake de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van vier minderjarige kinderen. De vader verzocht om het hoofdverblijf bij hem vast te stellen en een andere zorgregeling, terwijl de moeder de bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank vorderde.
Het hof bevestigde dat het in het belang van de kinderen is dat de hoofdverblijfplaats van de drie oudste kinderen bij de moeder blijft, omdat zij daar al het grootste deel van de tijd verblijven en de situatie stabiel is. Ook werd de vervangende toestemming voor verhuizing naar een andere woonplaats door de moeder bekrachtigd vanwege continuïteit en stabiliteit voor de kinderen.
De reguliere zorgregeling bleef ongewijzigd, maar de vakantieregeling werd aangepast. De kinderen verblijven in de voorjaars- en herfstvakantie bij de vader, terwijl de overige vakanties grotendeels conform de rechtbankregeling werden verdeeld. Het hof bepaalde dat de vader verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de kinderen, gezien zijn beschikking over een auto en rijbewijs en de financiële situatie van de moeder.
De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke ouder zijn eigen kosten draagt. Het beroep van de vader werd voor het overige afgewezen.