ECLI:NL:GHARL:2025:1833

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
Wahv 200.345.001/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Willems-Keekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid verzet tegen dwangbevel wegens termijnoverschrijding

De betrokkene stelde verzet in tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel uitgevaardigd op 18 september 2023. De kantonrechter verklaarde dit verzet niet-ontvankelijk omdat het verzetschrift pas op 24 januari 2024 werd ingediend, ruim na de wettelijke termijn van twee weken na betekening op 29 september 2023.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat artikel 26, derde lid, van de Wahv niet van toepassing zou zijn omdat geen voor verzet vatbare beslissing was uitgereikt en dat betaling binnen twee dagen moest gebeuren. Het hof verwierp deze stellingen, bevestigde de geldigheid van het dwangbevel en de betekening daarvan, en stelde dat bezwaren tegen de inleidende beschikking in een eerdere beroepsprocedure aan de orde hadden kunnen komen.

Het hof benadrukte dat het CJIB verantwoordelijk is voor de inning van de sanctie en dat het niet verplicht is bewijs te leveren voor de gedraging die tot de sanctie leidde, aangezien de inleidende beschikking onherroepelijk is geworden. Het hof concludeerde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet. Tevens werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet tegen het dwangbevel wegens het niet tijdig indienen van het verzetschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.001/01
CJIB-nummer
: 243834854
Uitspraak d.d.
: 28 maart 2025
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] , wonende te [woonplaats] .

De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een op 18 september 2023 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De Minister voor Rechtsbescherming heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De Minister heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 maart 2025. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Als gemachtigden van de Minister zijn verschenen [naam2] en [naam3] , werkzaam bij het CJIB.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was gedaan.
2. Ingevolge artikel 26, derde lid, van de Wahv dient een verzetschrift binnen een termijn van twee weken na de betekening van het dwangbevel te worden ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd.
3. In het dossier bevindt zich een afschrift van het op 18 september 2023 uitgevaardigde dwangbevel. Dit dwangbevel is op 29 september 2023 betekend. De termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde derhalve op 13 oktober 2023. Het verzetschrift van 24 januari 2024 is blijkens een daarop gestelde stempel op 25 januari 2024 ter griffie van de rechtbank ingekomen. Het verzetschrift is dus niet tijdig ingediend.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat artikel 26, derde lid, van de Wahv niet van toepassing is omdat de betrokkene nooit een voor verzet vatbare beslissing is uitgereikt. Daarnaast moest de betaling binnen twee dagen geschieden, in plaats van binnen twee weken zoals in artikel 26, derde lid, van de Wahv staat vermeld. De gemachtigde heeft verder bij het CJIB dringend verzocht om bewijzen te leveren van de opgelegde sanctie, maar het CJIB blijft in gebreke, zelfs met een beroep op de Wet Dwangsom.
5. In artikel 26, tweede lid, van de Wahv is bepaald dat een dwangbevel wordt uitgevaardigd in naam van de Koning door Onze Minister. Het hof stelt vast dat zich in het dossier het dwangbevel bevindt. Dit is een dwangbevel in naam van de Koning en het is namens de Minister voor Rechtsbescherming uitgevaardigd door de directeur Dienstverlening en Incasso van het CJIB. In het dossier bevindt zich ook een deurwaardersexploot waaruit volgt dat het dwangbevel aan de betrokkene is betekend. Het hof kan de gemachtigde dan ook niet volgen in diens stelling dat de betrokkene nooit een voor verzet vatbare beslissing is uitgereikt.
6. De stelling van de gemachtigde dat in dit geval een administratieve sanctie wordt geïnd voor een gedraging waarvan nimmer is komen vast te staan dat deze door de betrokkene is verricht, slaagt evenmin. Uit artikel 26, derde lid, van de Wahv volgt dat bezwaren ten aanzien van de inleidende beschikking naar voren moeten worden gebracht in de beroepsprocedure. Blijkens het zaakoverzicht is door of namens de betrokkene beroep tegen de inleidende beschikking ingesteld en vervolgens beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Tegen de beslissing van de kantonrechter is geen hoger beroep ingesteld, waardoor de inleidende beschikking onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat daarmee is komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Naar aanleiding hiervan is het innings- en incassotraject voortgezet. Verhaal met dwangbevel is in het geval van de betrokkene onderdeel van dit traject. Het voorgaande betekent ook dat het hof niet zal ingaan op de argumenten van de gemachtigde van de betrokkene die zijn gericht tegen de administratieve sanctie.
7. Ter informatie van de gemachtigde wijst het hof er nog wel op dat het CJIB de instantie is die verantwoordelijk is voor de inning van de sanctie en in die hoedanigheid de inleidende beschikking verstuurt. In die hoedanigheid kan het CJIB niet verantwoordelijk worden gehouden voor het leveren van bewijs voor de gedraging waarvoor bij onherroepelijk geworden inleidende beschikking een sanctie is opgelegd en vervolgens een innings- en incassotraject is gestart.
8. Daarnaast wijst het hof de gemachtigde erop dat in artikel 26, derde lid, van de Wahv een termijn om een rechtsmiddel in te stellen, is opgenomen. Dit betreft niet een betalingstermijn voor betaling aan de deurwaarder.
9. Het hof komt op grond van het voorgaande tot het volgende oordeel. Het verzetschrift tegen het dwangbevel is niet binnen twee weken ingediend. Niet is gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen. Dit brengt mee dat het hof, net als de kantonrechter, niet kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van het verzet.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beschikking van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.