De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast en legde aanslagen OZB op. Belanghebbende stelde beroep in tegen deze beschikking, maar het beroepschrift werd niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank vanwege het ontbreken van een schriftelijke machtiging voor de gemachtigde.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat het beroep wel ontvankelijk moest worden verklaard. Het hof constateerde dat in hoger beroep wel een schriftelijke volmacht was overgelegd, maar dat het ontbreken daarvan in eerste aanleg een verzuim was dat niet meer hersteld kon worden. Het hof oordeelde dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard.
Daarnaast werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat belanghebbende het financiële belang niet aannemelijk had gemaakt. Het hof stelde vast dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, maar dat dit niet leidde tot toekenning van schadevergoeding.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht en de proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door de zeventiende enkelvoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 april 2025.