ECLI:NL:GHARL:2025:1999

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.344.811/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 10 lid 1 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens hinderlijk parkeren met vier wielen op trottoir en zichtbelemmering

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €150 voor het parkeren van zijn voertuig op 26 november 2022 met vier wielen op het trottoir, waardoor het zicht op een kruising werd belemmerd en hinder voor het overige verkeer ontstond. De betrokkene voerde aan dat de gedraging onder een andere feitcode (R315b) viel, die reeds de hinder omvatte, en dat de boete op grond van feitcode R395 onterecht was.

Het hof oordeelt dat de overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zich richt op gedrag dat gevaar of hinder op de weg veroorzaakt, en dat de hinder die het voertuig veroorzaakte niet geheel is verdisconteerd in de gedraging met feitcode R315b. Foto's en verklaringen bevestigen dat het voertuig het zicht belemmerde en meer dan geringe hinder veroorzaakte.

Het hof stelt vast dat het opleggen van een sanctie op grond van artikel 5 WVW Pro 1994 terecht is, omdat de overtreding verder gaat dan de gedraging onder artikel 10 RVV Pro 1990. Het beroep van de betrokkene wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €150 wegens hinderlijk parkeren met vier wielen op het trottoir en zichtbelemmering.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.344.811/01
CJIB-nummer
: 254092161
Uitspraak d.d.
: 3 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 4 juli 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “R395 - voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 november 2022 om 15.54 uur op de Konijnenberglaan in IJmuiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat er een specifieke feitcode is voor datgene wat de betrokkene heeft gedaan. Op de foto’s is te zien dat zijn voertuig met vier wielen op het trottoir stond. Daar hoort feitcode “R315b – als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken” bij. Voor een boete op basis van R395 bestaat geen aanleiding. In de sanctie met feitcode R315b ligt reeds de hinder van het parkeren met vier wielen op het trottoir besloten.
3. De gedraging met feitcode R395 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), dat luidt:
"Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd".
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gevaar en hinder, geparkeerd op het trottoir met vier wielen. Voertuig stond zodanig geparkeerd dat er meer dan gering hinder was voor voetgangers. Ook werd het zicht ontnomen op de kruising door het voertuig wat gevaar (kon) opleveren voor overig verkeer en voetgangers.”
6. Verder bevat het dossier foto’s van de gedraging. Hierop is het onder 1. genoemde voertuig te zien dat in zijn geheel geparkeerd staat op een trottoir dat in de bocht van de kruising ligt.
7. Op grond van de verklaring van de ambtenaar en de foto’s kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene op zodanige wijze op de weg stond dat hierdoor het zicht voor het overige verkeer werd belemmerd. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat er sprake was van (mogelijke) hinder voor het verkeer als bedoeld in artikel 5 van Pro de WVW 1994.
8. Met betrekking tot de vraag of de ambtenaar ook voor de overtreding van deze bepaling een sanctie mocht opleggen dan wel een sanctie had moeten opleggen voor de gedraging met feitcode R315b, overweegt het hof dat de gedraging met feitcode R315b de overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeerregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) betreft. Dit artikellid schrijft voor dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
9. De hier door de betrokkene verrichte gedraging valt onder beide hierboven genoemde bepalingen. Nu in dit geval de met het voertuig veroorzaakte hinder niet (geheel) besloten ligt in artikel 10 van Pro het RVV 1990 en daarmee de in de afzonderlijke bepaling verdisconteerde hinder te boven gaat, stond het de ambtenaar vrij om een sanctie op te leggen wegens overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.