ECLI:NL:GHARL:2025:2005

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.348.239/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 RVV 1990Art. 184 SrArt. 2 Aanwijzing feitgecodeerde misdrijvenArt. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens niet dragen autogordel in politievoertuig

Betrokkene werd gesanctioneerd wegens het niet dragen van een autogordel als passagier in een politievoertuig tijdens vervoer naar het politiebureau. De kantonrechter had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete gematigd tot €112,50. Betrokkene stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en voerde onder meer aan dat de mondelinge uitspraak op 3 oktober 2024 nietig was omdat de beschikking gedateerd was op 17 oktober 2024.

Het hof oordeelde dat deze datumverschil geen schending van belangen opleverde en dat de mondelinge uitspraak en schriftelijke beschikking inhoudelijk overeenkwamen. De betrokkene voerde ook aan dat zij als aangehouden verdachte in het politievoertuig niet als passagier in de zin van artikel 59 RVV Pro 1990 kon worden aangemerkt, en dat de gedraging via één traject (strafrecht) had moeten worden afgedaan.

Het hof stelde vast dat de betrokkene zich in een voertuig bevond waarmee aan het verkeer werd deelgenomen en dat het niet dragen van de gordel voldoende was vastgesteld. De status als aangehouden verdachte ontslaat niet van de gordelplicht. Ook was er geen sprake van één moment in de zin van de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, zodat afdoening via twee trajecten niet in strijd was met die aanwijzing.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een boete van €112,50.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €112,50 voor het niet dragen van de autogordel als passagier in een politievoertuig.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.348.239/01
CJIB-nummer
: 247640903
Uitspraak d.d.
: 3 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te ʼs-Gravenhage.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 875,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “Als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 februari 2022 om 11:05 uur op de Karel Doormanstraat in Rotterdam in een politievoertuig.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de beslissing van de kantonrechter van 17 oktober 2024 nietig moet worden verklaard, omdat de kantonrechter al op
3 oktober 2024 terstond mondeling uitspraak heeft gedaan.
3. De advocaat-generaal heeft navraag gedaan bij de zittingsvertegenwoordiger die op 3 oktober 2024 bij de zitting van de kantonrechter aanwezig was. De zittingsvertegenwoordiger heeft bevestigd dat de kantonrechter op die zitting mondeling uitspraak heeft gedaan en dat is besloten tot het gedeeltelijk gegrond verklaren van het beroep en matiging van het sanctiebedrag met 25%.
4. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat sprake lijkt te zijn van een kennelijke verschrijving, voor zover de uitspraak op 17 oktober 2024 is gedateerd, en deelt het standpunt dat de betrokkene hiermee niet in zijn belangen is geschaad. Immers, niet is aangevoerd of gebleken dat de beslissing van de kantonrechter van 17 oktober 2024 afwijkt van wat de kantonrechter op de zitting
3 oktober 2024 mondeling heeft uitgesproken. Voor vernietiging van de bestreden beslissing bestaat daar om geen aanleiding, zodat het hof verder zal gaan met de beoordeling van de aangevoerde gronden ten aanzien van de gedraging.
5. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene is aangehouden bij het Timmerhuis aan de Halvemaanpassage 1 in Rotterdam en dat dit hemelsbreed op 500 meter afstand ligt van de door de ambtenaar vermelde pleegplaats, de Karel de Doormanstraat. Dit roept vragen op omtrent waar en wanneer de sanctie is opgelegd: was dit op het moment dat het politievoertuig in beweging kwam aan de Halvemaanpassage of tijdens het rijden naar het politiebureau op de Karel de Doormanstraat? In het eerste geval meent de gemachtigde dat de veiligheid van de betrokkene tijdens het transport de verantwoordelijkheid was van de politie en dat de politie het omdoen van de gordel had moeten afdwingen. In het tweede geval heeft de politie een signaal afgegeven dat het dragen van een gordel geen wettelijke verplichting is. Verder stelt de gemachtigde dat de betrokkene, die ten tijde van de gedraging als een aangehouden verdachte in een politiebus zat, niet als passagier in de zin van artikel 59, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) kan worden aangemerkt. Het weigeren van het om doen van de gordel had in dit geval ook als het niet opvolgen van een bevel van een ambtenaar in de zin van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden afgedaan. Het gaat volgens de gemachtigde namelijk om één juridisch feitencomplex, zodat op grond van artikel 2 van Pro de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: de Aanwijzing) afdoening langs één traject was aangewezen.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“Pleeglocatie: Karel Doormanstraat
Pleegplaats: Rotterdam (…)
Gedragingsgegevens: ik zag dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing. Verdachte zat achterin politievoertuig, weigerde haar gordel om te doen. (…)
Reden staandehouding: verdachte was al aangehouden voor een ander feit en werd vervoerd naar politiebureau. Verdachte weigerde gordel om te doen.”
8. Het hof stelt vast dat uit de verklaring van de ambtenaar dat de betrokkene werd vervoerd, genoegzaam volgt dat er met het voertuig werd gereden toen werd waargenomen dat de betrokkene de gordel niet om had en vervolgens weigerde haar gordel om te doen. Het hof ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. De enkele ontkenning van de betrokkene eerder in de procedure is daartoe onvoldoende en wordt in hoger beroep ook niet opnieuw als grond aangevoerd. In het verlengde van het vorenstaande ziet het hof evenmin reden om aan de door de ambtenaar vermelde pleeglocatie te twijfelen. Dat de betrokkene op een eerder moment op een andere locatie is aangehouden ter zake van een ander feit, maakt niet dat de pleeglocatie in dit geval niet juist kan zijn. Naar het oordeel van het hof was voldoende duidelijk waartegen de betrokkene zich diende te verdedigen, zodat is voldaan aan het uitgangspunt in Wahv-zaken dat het dossier voldoende gegevens moet bevatten over de aard, plaats en tijd van de gedraging om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te kunnen individualiseren.
9. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat de betrokkene niet als passagier kan worden aangemerkt, wijst de advocaat-generaal er terecht op dat het RVV 1990 geen definitie van het begrip passagier bevat en geen uitzonderingen kent voor het vervoer van personen in een voertuig van de politie als het gaat om de verplichting tot het gebruiken van de autogordel. Anders dan de gemachtigde ingang wil doen vinden, maakt de omstandigheid dat de betrokkene was aangehouden en in een politievoertuig werd meegenomen dus niet dat de betrokkene geen passagier is in de zin van artikel 59 van Pro het RVV 1990. Voor de vaststelling van de gedraging is doorslaggevend of de bestuurder dan wel de passagier zich in een voertuig bevond waarmee aan het verkeer werd deelgenomen. Dat is in deze zaak geen geschilpunt.
10. Het voorgaande betekent dat het hof van oordeel is dat kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De omstandigheid dat de betrokken ambtenaren in het politievoertuig zijn weggereden, terwijl de betrokkene haar gordel niet om had, staat dus niet aan die vaststelling in de weg en wat de gemachtigde hieromtrent heeft aangevoerd valt buiten de reikwijdte van deze procedure. Het oordeel van het hof strekt zich niet uit over het optreden van de politieambtenaren, zodat de gemachtigde zich ten aanzien daarvan tot het betreffende politieonderdeel dient te wenden.
11. De gemachtigde doet (naar het hof begrijpt) verder een beroep op het una via-beginsel en stelt
dat is gehandeld in strijd met de Aanwijzing. Die Aanwijzing houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Als geconstateerd is dat een persoon op een bepaald moment meerdere overtredingen heeft begaan, wordt aan betrokkene/verdachte een administratieve sanctie opgelegd óf wordt tegen hem een strafbeschikking uitgevaardigd óf proces-verbaal opgemaakt. Afdoening langs één traject is het uitgangspunt om verwarring van procedures te voorkomen. Als wel de strafrechtelijke en de administratiefrechtelijke weg worden bewandeld, moet daarvan in het proces-verbaal zo concreet mogelijk melding worden gemaakt. Van deze mogelijkheid mag slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt.”
12. Het hof dient te beoordelen of de geconstateerde gedragingen/overtredingen in dit geval via twee trajecten mochten worden afgedaan. Daarvoor dient het hof eerst te beoordelen of in dit geval sprake is van “een bepaald moment” in de zin van de Aanwijzing.
13. Het hof stelt vast dat uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de gedragingen niet op hetzelfde moment door de ambtenaar zijn vastgesteld. De betrokkene is eerder ten aanzien van een ander feit aangehouden en bij het vervoer naar het politiebureau ter zake van dat feit is de onderhavige gedraging geconstateerd. Onder deze omstandigheden is geen sprake van één moment in de zin van de Aanwijzing. Dat er een verband tussen de onderhavige gedraging en de andere gedraging/overtreding bestaat, namelijk dat zij kort na elkaar zijn vastgesteld en door dezelfde ambtenaar zijn geconstateerd, maakt dat niet anders. Aldus is niet in strijd met de Aanwijzing gehandeld en faalt de grond van de gemachtigde dan de onderhavige gedraging via het strafrecht afgedaan had moeten worden.
14. Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.