Partijen zijn in 2013 in Iran gehuwd waarbij een bruidsgave van 110 Bahar Azadi gouden munten is overeengekomen. In 2018 zijn zij naar Nederland gekomen en in 2021 is de echtscheiding uitgesproken op verzoek van de man.
De rechtbank Midden-Nederland veroordeelde de man tot afgifte van de bruidsgave of betaling van het equivalent daarvan. De man stelde in hoger beroep dat de Nederlandse rechter onbevoegd was vanwege een Iraanse procedure en dat de bruidsgave niet opeisbaar zou zijn vanwege een khul-scheiding, en dat de bruidsgave in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de Iraanse nationaliteit en het Iraanse recht van toepassing zijn. De stelling dat de vrouw afstand zou hebben gedaan van de bruidsgave wordt verworpen omdat de man zelf de echtscheiding heeft aangevraagd. Ook is het overeenkomen van een bruidsgave niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.
De nieuwe stelling van de man over het vervallen van de huwelijksakte wordt buiten beschouwing gelaten vanwege te late indiening. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en compenseert de proceskosten in hoger beroep, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.