ECLI:NL:GHARL:2025:2042

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 april 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
Wahv 200.345.924
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Willems-Keekstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvBesluit proceskosten bestuursrechtArtikel 13a, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie vasthouden mobiel tijdens rijden en proceskostenvergoeding

De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 10 juni 2021. De kantonrechter matigde deze sanctie tot €125 en wees een verzoek om proceskostenvergoeding af. De gemachtigde van de betrokkene stelde hoger beroep in en voerde aan dat de gedraging werd ontkend en dat er geen staandehouding had plaatsgevonden.

Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar, die de gedraging constateerde vanuit zijn privévoertuig zonder stoptransparant en buiten diensttijd, betrouwbaar is en dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd vanwege het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding.

Verder stelde het hof vast dat de kantonrechter ten onrechte had geoordeeld dat de gemachtigde niet als professioneel rechtsbijstandsverlener kon worden aangemerkt. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd daarom alsnog toegewezen, waarbij de advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van €680,25 aan proceskosten.

De overige beslissingen van de kantonrechter werden bevestigd. De zaak werd behandeld zonder aanwezigheid van betrokkene en gemachtigde, en het arrest is op 7 april 2025 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Sanctie van €125 bevestigd en proceskostenvergoeding van €680,25 toegekend aan betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.345.924/01
CJIB-nummer
: 241894195
Uitspraak d.d.
: 7 april 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 25 juni 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is V. Quacken, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 125,- (te vermeerderen met € 9,- administratiekosten). Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 24 maart 2025. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals van tevoren was aangekondigd, niet verschenen. De betrokkene is evenmin verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 juni 2021 om 22:13 uur op de Stratumsedijk in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de gedraging door de betrokkene wordt ontkend. Verder heeft ten onrechte geen staandehouding van de bestuurder van het voertuig plaatsgevonden.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder van ingevoerd voertuig een mobiele telefoon vasthield in zijn linkerhand. Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder de mobiele telefoon vasthield ter hoogte van zijn borst. Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder tegelijkertijd zijn voertuig bestuurde met een geschatte snelheid van € 50,- km p/u. (…) Reden geen staandehouding: ik, verbalisant, was in privétijd en rijdende in mijn privévoertuig en in burger gekleed en zodoende niet in staat om de bestuurder staande te houden. Mijn privévoertuig beschikt niet over een stoptransparant.”
4. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield. Wat de gemachtigde aanvoert is een enkele ontkenning van de gedraging en is daarom onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. De gedraging kan worden vastgesteld.
5. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
6. De ambtenaar voert aan buiten diensttijd vanuit zijn privévoertuig zonder stoptransparant de gedraging te hebben geconstateerd. Uit deze omstandigheden blijkt genoegzaam dat geen sprake was van een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. De sanctie mocht dan ook aan de betrokkene als kentekenhouder worden opgelegd.
7. De gemachtigde beklaagt zich tot slot over de afwijzing van de proceskostenvergoeding. Door de kantonrechter is ten onrechte overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de gemachtigde zodanige juridische scholing heeft genoten dat hij geacht kan worden beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
8. Deze grond treft doel. De gemachtigde is reeds in vele zaken aangemerkt als professioneel rechtsbijstandsverlener als bedoeld in het Bpb. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is ten onrechte afgewezen door de kantonrechter.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient 1 punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het beroep tot een bedrag van € 453,50 (= 1 x € 907,- x 0,5).
10. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift wordt één punt toegekend. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 226,75 (1 x € 907,- x 0,25).
11. Het hof beslist als volgt.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op een verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 680,25;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.