De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind heeft verleend. De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en verzoekt vernietiging van de beschikking of verkorting van de duur.
Het hof verwijst naar de eerdere beschikking waarin de minderjarige onder toezicht is gesteld en constateert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft. Dit is gebaseerd op het gebrek aan vertrouwen en samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling (GI), waardoor contact met het kind en de vader lange tijd niet mogelijk was en het kind bijna een jaar niet naar school ging.
Hoewel het contact tussen moeder en GI enigszins verbeterd is, is er onvoldoende zicht op het kind en zijn behoeften. De moeder toont weinig probleembesef en werkt onvoldoende mee, onder meer bij schoolinschrijving. Het hof acht het daarom noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet tot 18 april 2025 om het welzijn van het kind te waarborgen.
De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.